BWBR0001940
Geldig vanaf 1928-10-01
Artikel 18
Marinescheepsongevallenwet
1. De termijn van oproeping van getuigen en van deskundigen voor den Nederlandschen Marineraad is, voor het geval zij in het Rijk in Europa woonachtig zijn of verblijf houden, van twee vrije dagen. Is hunne woonplaats elders of onbekend, dan stelt de voorzitter dien termijn vast.
2. De termijn van oproeping van getuigen en van deskundigen voor den Nederlandsch-Indischen Marineraad wordt door den Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indië vastgesteld.
3. Voor zoover noodig geschiedt de oproeping en de mededeeling van beslissingen van een Marineraad op last van den voorzitter van dien Raad, door beteekening door den deurwaarder van eenig rechterlijk college of ander een ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, met achterlating van een afschrift aan den persoon of aan zijn woon- of verblijfplaats.
4. Ingeval de beambte, met de beteekening belast, noch den persoon van den opgeroepene of beteekende, noch iemand van diens huisgenooten aan diens woon- of verblijfplaats aantreft, zal hij het afschrift terstond ter hand stellen aan het hoofd van het plaatselijk bestuur - op Java en Madoera aan den Assistent-Resident - of aan dengene, die hem vervangt, die het oorspronkelijke met gezien zal teekenen en het afschrift zoo mogelijk aan den betrokkene zal moeten doen toekomen, zonder dat van dit laatste echter zal behoeven te blijken.
2. De termijn van oproeping van getuigen en van deskundigen voor den Nederlandsch-Indischen Marineraad wordt door den Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indië vastgesteld.
3. Voor zoover noodig geschiedt de oproeping en de mededeeling van beslissingen van een Marineraad op last van den voorzitter van dien Raad, door beteekening door den deurwaarder van eenig rechterlijk college of ander een ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, met achterlating van een afschrift aan den persoon of aan zijn woon- of verblijfplaats.
4. Ingeval de beambte, met de beteekening belast, noch den persoon van den opgeroepene of beteekende, noch iemand van diens huisgenooten aan diens woon- of verblijfplaats aantreft, zal hij het afschrift terstond ter hand stellen aan het hoofd van het plaatselijk bestuur - op Java en Madoera aan den Assistent-Resident - of aan dengene, die hem vervangt, die het oorspronkelijke met gezien zal teekenen en het afschrift zoo mogelijk aan den betrokkene zal moeten doen toekomen, zonder dat van dit laatste echter zal behoeven te blijken.