BWBR0002087
Geldig vanaf 1998-01-01
Artikel 8
Wet op de gevaarlijke werktuigen
1. Hij, door wie of te wiens behoeve een gevaarlijk werktuig of een beveiligingsmiddel is ingevoerd, ten aanzien waarvan ingevolge artikel 3, eerste lid, een keuring is voorgeschreven, is verplicht daarvan onverwijld schriftelijk aangifte te doen bij een daartoe door Onze Minister aangewezen onder hem ressorterende ambtenaar, onder opgave van de plaats, waar het gevaarlijke werktuig, onderscheidenlijk het beveiligingsmiddel zich bevindt, en van de plaats, waarheen het zal worden vervoerd.
2. Hij, door wie of te wiens behoeve een gevaarlijk werktuig of een beveiligingsmiddel is ingevoerd, ten aanzien waarvan ingevolge artikel 3, eerste lid, een keuring is voorgeschreven, is, behalve in het geval voorzien in het zesde lid van artikel 4, verplicht, voordat hij dit gevaarlijke werktuig of beveiligingsmiddel aflevert, tentoonstelt of gebruikt, hetzelve, of één of meer het type kenmerkende monsters binnen dertig dagen na ontvangst tot het verrichten van de keuring aan te bieden.
2. Hij, door wie of te wiens behoeve een gevaarlijk werktuig of een beveiligingsmiddel is ingevoerd, ten aanzien waarvan ingevolge artikel 3, eerste lid, een keuring is voorgeschreven, is, behalve in het geval voorzien in het zesde lid van artikel 4, verplicht, voordat hij dit gevaarlijke werktuig of beveiligingsmiddel aflevert, tentoonstelt of gebruikt, hetzelve, of één of meer het type kenmerkende monsters binnen dertig dagen na ontvangst tot het verrichten van de keuring aan te bieden.