BWBR0002099
Geldig vanaf 2012-12-13
Artikel 33
Wet oorlogsstrafrecht
1. De verdachte kan ter terechtzitting van het Bijzondere Hooggerechtshof omtrent zijn persoon en zijn persoonlijke omstandigheden worden gehoord.
2. Te dien einde kan het Bijzondere Hooggerechtshof, indien de verdachte op de bepaalde rechtsdag niet ter terechtzitting aanwezig is, zowel bij de aanvang als gedurende de loop der behandeling der zaak bevelen, dat hij op een door het Hof te bepalen tijdstip ter terechtzitting aanwezig zal zijn en daartoe tevens zijn medebrenging gelasten.
3. Het bepaalde in <a href="/wet/BWBR0001903/artikel/310" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 310 van het Wetboek van Strafvordering</a>is voor de behandeling der zaak in cassatie van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat hetgeen daar ten aanzien van de rechtbank en de officier van justitie is bepaald, te dezen geldt voor het Bijzondere Hooggerechtshof en de procureur-generaal bij dat hof.
4. Indien het Bijzondere Hooggerechtshof een nader onderzoek naar de omstandigheden, waaronder het misdrijf is begaan, of naar de persoon of de persoonlijke omstandigheden van de verdachte noodzakelijk oordeelt, zijn de <a href="/wet/BWBR0001903/artikel/316" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 316</a>en <a href="/wet/BWBR0001903/artikel/317" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">317 van het Wetboek van Strafvordering</a>van overeenkomstige toepassing, met dien verstande, dat hetgeen daar ten aanzien van de rechtbank, de officier van justitie en de rechter-commissaris is bepaald, ten deze geldt voor het Bijzondere Hooggerechtshof, de procureur-generaal bij dat hof en de rechter-commissaris bij de bijzondere rechtbank, die in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan.
2. Te dien einde kan het Bijzondere Hooggerechtshof, indien de verdachte op de bepaalde rechtsdag niet ter terechtzitting aanwezig is, zowel bij de aanvang als gedurende de loop der behandeling der zaak bevelen, dat hij op een door het Hof te bepalen tijdstip ter terechtzitting aanwezig zal zijn en daartoe tevens zijn medebrenging gelasten.
3. Het bepaalde in <a href="/wet/BWBR0001903/artikel/310" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 310 van het Wetboek van Strafvordering</a>is voor de behandeling der zaak in cassatie van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat hetgeen daar ten aanzien van de rechtbank en de officier van justitie is bepaald, te dezen geldt voor het Bijzondere Hooggerechtshof en de procureur-generaal bij dat hof.
4. Indien het Bijzondere Hooggerechtshof een nader onderzoek naar de omstandigheden, waaronder het misdrijf is begaan, of naar de persoon of de persoonlijke omstandigheden van de verdachte noodzakelijk oordeelt, zijn de <a href="/wet/BWBR0001903/artikel/316" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 316</a>en <a href="/wet/BWBR0001903/artikel/317" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">317 van het Wetboek van Strafvordering</a>van overeenkomstige toepassing, met dien verstande, dat hetgeen daar ten aanzien van de rechtbank, de officier van justitie en de rechter-commissaris is bepaald, ten deze geldt voor het Bijzondere Hooggerechtshof, de procureur-generaal bij dat hof en de rechter-commissaris bij de bijzondere rechtbank, die in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan.