BWBR0002195
Geldig vanaf 1959-01-01
Artikel 27
Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag
1. De burgemeester mag bij zijn onderzoek uitsluitend acht slaan op:
1°. hem ten aanzien van de betrokkene verstrekte uittreksels uit de strafregisters;
2°. gegevens ontleend aan de registers van de politie in de tegenwoordige of in de vroegere woonplaatsen of verblijfplaatsen van de betrokkene;
3°. andere schriftelijke bescheiden, welke hem in verband met de afgifte van de verklaring omtrent het gedrag ter beschikking zijn gesteld.
2. Indien ten aanzien van de betrokkene geen strafblad in de strafregisters voorkomt, let de burgemeester bij zijn onderzoek niet op feiten en gedragingen, vermeld in andere registers en bescheiden, indien sedert de dag waarop deze zijn voorgevallen, meer dan vier jaren zijn verlopen.
3. In bijzondere gevallen kan de burgemeester van het bepaalde in het voorgaande lid afwijken. Alvorens in zodanig geval op het verzoek te beslissen, wint hij het advies in van een commissie, bedoeld in artikel 28.
1°. hem ten aanzien van de betrokkene verstrekte uittreksels uit de strafregisters;
2°. gegevens ontleend aan de registers van de politie in de tegenwoordige of in de vroegere woonplaatsen of verblijfplaatsen van de betrokkene;
3°. andere schriftelijke bescheiden, welke hem in verband met de afgifte van de verklaring omtrent het gedrag ter beschikking zijn gesteld.
2. Indien ten aanzien van de betrokkene geen strafblad in de strafregisters voorkomt, let de burgemeester bij zijn onderzoek niet op feiten en gedragingen, vermeld in andere registers en bescheiden, indien sedert de dag waarop deze zijn voorgevallen, meer dan vier jaren zijn verlopen.
3. In bijzondere gevallen kan de burgemeester van het bepaalde in het voorgaande lid afwijken. Alvorens in zodanig geval op het verzoek te beslissen, wint hij het advies in van een commissie, bedoeld in artikel 28.