1. Indien in strijd met een premiespaarregeling aan een werknemer spaarpremies worden uitgekeerd, dan wel door een werknemer over voorlopig bijgeschreven spaarpremies wordt beschikt, worden die spaarpremies voor de toepassing van de
Wet op de loonbelasting 1964 en de
Coördinatiewet Sociale Verzekering aangemerkt als loon verstrekt door de werkgever.
2. Indien in strijd met een winstdelingsspaarregeling door een werknemer over op de spaarrekening of in effecten geblokkeerde spaarwinstaandelen wordt beschikt, dan wel aan een werknemer geblokkeerde effecten worden afgegeven, worden de daarin geblokkeerde bedragen voor de toepassing van de
Wet op de loonbelasting 1964 en de
Coördinatiewet Sociale Verzekering aangemerkt als loon verstrekt door de werkgever.
3. Spaarloon waarover door een werknemer in strijd met een spaarloonregeling wordt beschikt, wordt voor de toepassing van de
Wet op de loonbelasting 1964 en de
Coördinatiewet Sociale Verzekering aangemerkt als loon, niet zijnde spaarloon, verstrekt door de werkgever die het laatst spaarloon aan hem heeft toegekend.
4. Het in de vorige leden bedoelde loon wordt geacht te zijn genoten ten tijde van het uitkeren onderscheidenlijk het beschikken.