BWBR0002494
Geldig vanaf 27-05-1979
Artikel 29
Besluit bedrijfsspaarregelingen
Als premiespaarregeling worden hierbij aangewezen:
a. de Premiespaarregeling Rijksambtenaren 1968 (Stb. 263), de regeling inzake een spaarpremie als is bedoeld in artikel 7 van de Wet op de bezoldiging van de rechterlijke ambtenaren (Stb. 1957, 534) en het Besluit van 7 juni 1968 tot intrekking van de Premiespaarregeling burgemeesters (Stb. 325);
b. regelingen die door een provincie, gemeente, waterschap, veenschap of veenpolder dan wel door een ingevolge de Wet gemeenschappelijke regelingen (Stb. K 120) ingesteld orgaan zijn getroffen voor hun werknemers, mits die regelingen niet op andere wijze afwijken van de artikelen 2 tot en met 19 dan de Premiespaarregeling Rijksambtenaren 1968;
c. regelingen die niet op andere wijze afwijken van de artikelen 7, 9, 11 en 13 dan dat zij bepaalde door de werknemer niet met ingehouden spaargelden ten laste van de spaarrekening gedane periodieke betalingen, gelijkstellen met zodanige betalingen;
d. regelingen die voorzien in een spaarpremie naar gelang van het totaal van de in een periode van ten minste 4 kalenderjaren regelmatig ingehouden, in grootte niet belangrijk verschillende besparingen, mits die regelingen niet op andere wijze afwijken van de artikelen 2 tot en met 19 dan dat: 1°. in afwijking van artikel 2, tweede lid, de spaarpremie niet meer bedraagt dan zoveel maal f 750 als kalenderjaren begrepen zijn in die periode;
2°. in afwijking van artikel 2, derde lid, de spaarpremie wordt toegerekend aan die periode;
3°. in afwijking van artikel 4, een spaarpremie wordt toegekend van ten hoogste 25, 50, 100 of 200 pct., indien in die periode ten minste onderscheidenlijk 4, 8, 14 of 20 kalenderjaren zijn begrepen;
4°. in afwijking van artikel 6, eerste lid, bij de beëindiging van de dienstbetrekking voordat de in de spaarregeling voor toekenning van een spaarpremie bepaalde periode is vervuld, voor elk vervuld kalenderjaar niet meer dan een evenredig deel van die spaarpremie wordt toegekend;
1°. in afwijking van artikel 2, tweede lid, de spaarpremie niet meer bedraagt dan zoveel maal f 750 als kalenderjaren begrepen zijn in die periode;
2°. in afwijking van artikel 2, derde lid, de spaarpremie wordt toegerekend aan die periode;
3°. in afwijking van artikel 4, een spaarpremie wordt toegekend van ten hoogste 25, 50, 100 of 200 pct., indien in die periode ten minste onderscheidenlijk 4, 8, 14 of 20 kalenderjaren zijn begrepen;
4°. in afwijking van artikel 6, eerste lid, bij de beëindiging van de dienstbetrekking voordat de in de spaarregeling voor toekenning van een spaarpremie bepaalde periode is vervuld, voor elk vervuld kalenderjaar niet meer dan een evenredig deel van die spaarpremie wordt toegekend;
e. regelingen die voorzien in het toekennen aan de werknemer aan wie een spaarpremie ingevolge de Jeugdspaarwet (Stb. 1971, 362) is uitbetaald, van een spaarpremie die niet hoger is dan 25 % van het bedrag waarover ingevolge die wet de spaarpremie is berekend.
a. de Premiespaarregeling Rijksambtenaren 1968 (Stb. 263), de regeling inzake een spaarpremie als is bedoeld in artikel 7 van de Wet op de bezoldiging van de rechterlijke ambtenaren (Stb. 1957, 534) en het Besluit van 7 juni 1968 tot intrekking van de Premiespaarregeling burgemeesters (Stb. 325);
b. regelingen die door een provincie, gemeente, waterschap, veenschap of veenpolder dan wel door een ingevolge de Wet gemeenschappelijke regelingen (Stb. K 120) ingesteld orgaan zijn getroffen voor hun werknemers, mits die regelingen niet op andere wijze afwijken van de artikelen 2 tot en met 19 dan de Premiespaarregeling Rijksambtenaren 1968;
c. regelingen die niet op andere wijze afwijken van de artikelen 7, 9, 11 en 13 dan dat zij bepaalde door de werknemer niet met ingehouden spaargelden ten laste van de spaarrekening gedane periodieke betalingen, gelijkstellen met zodanige betalingen;
d. regelingen die voorzien in een spaarpremie naar gelang van het totaal van de in een periode van ten minste 4 kalenderjaren regelmatig ingehouden, in grootte niet belangrijk verschillende besparingen, mits die regelingen niet op andere wijze afwijken van de artikelen 2 tot en met 19 dan dat: 1°. in afwijking van artikel 2, tweede lid, de spaarpremie niet meer bedraagt dan zoveel maal f 750 als kalenderjaren begrepen zijn in die periode;
2°. in afwijking van artikel 2, derde lid, de spaarpremie wordt toegerekend aan die periode;
3°. in afwijking van artikel 4, een spaarpremie wordt toegekend van ten hoogste 25, 50, 100 of 200 pct., indien in die periode ten minste onderscheidenlijk 4, 8, 14 of 20 kalenderjaren zijn begrepen;
4°. in afwijking van artikel 6, eerste lid, bij de beëindiging van de dienstbetrekking voordat de in de spaarregeling voor toekenning van een spaarpremie bepaalde periode is vervuld, voor elk vervuld kalenderjaar niet meer dan een evenredig deel van die spaarpremie wordt toegekend;
1°. in afwijking van artikel 2, tweede lid, de spaarpremie niet meer bedraagt dan zoveel maal f 750 als kalenderjaren begrepen zijn in die periode;
2°. in afwijking van artikel 2, derde lid, de spaarpremie wordt toegerekend aan die periode;
3°. in afwijking van artikel 4, een spaarpremie wordt toegekend van ten hoogste 25, 50, 100 of 200 pct., indien in die periode ten minste onderscheidenlijk 4, 8, 14 of 20 kalenderjaren zijn begrepen;
4°. in afwijking van artikel 6, eerste lid, bij de beëindiging van de dienstbetrekking voordat de in de spaarregeling voor toekenning van een spaarpremie bepaalde periode is vervuld, voor elk vervuld kalenderjaar niet meer dan een evenredig deel van die spaarpremie wordt toegekend;
e. regelingen die voorzien in het toekennen aan de werknemer aan wie een spaarpremie ingevolge de Jeugdspaarwet (Stb. 1971, 362) is uitbetaald, van een spaarpremie die niet hoger is dan 25 % van het bedrag waarover ingevolge die wet de spaarpremie is berekend.
- Citeren als
- Art. 29
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0002494
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl