BWBR0002541
Geldig vanaf 1967-06-01
Artikel 99
Zaaizaad- en Plantgoedwet
1. De inhoud van het Centraal Rassenregister, bedoeld in artikel 2 van het Kwekersbesluit 1941, zoals dit register op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet luidt, wordt met ingang van dat tijdstip ambtshalve overgenomen in het Nederlands Rassenregister. De door inschrijving in het Centraal Rassenregister verkregen en ten tijde van het inwerkingtreden van deze wet nog lopende kwekersrechten blijven van kracht, met dien verstande, dat deze kwekersrechten, in afwijking van het bepaalde in artikel 37, derde lid, als dagtekening verkrijgen de datum van inschrijving van het ras in het Centraal Rassenregister, en dat in afwijking van het bepaalde krachtens artikel 51de duur van deze kwekersrechten vijfentwintig jaren bedraagt, en voor rozen zeventien jaren.
2. Voor rassen, waarop ten tijde van het inwerkingtreden van deze wet het bepaalde in artikel 7, tweede lid onder 2 e, of 46, van het Kwekersbesluit 1941 van toepassing was, blijven in afwijking van het bepaalde bij of krachtens deze wet, de artikelen 7, tweede lid onder 2 e, 40-44 en 46 van het Kwekersbesluit 1941 van toepassing tot 1 juli van het jaar volgende op dat, waarin deze wet in werking treedt of zoveel langer als bij algemene maatregel van bestuur zal worden bepaald. Onze Minister draagt er zorg voor, dat op het moment, waarop de voornoemde artikelen van het Kwekersbesluit 1941 voor enig aardappelras, dat op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet reeds vijf jaar of langer in het Centraal Rassenregister staat ingeschreven, buiten werking treden, voor de verdere duur van het kwekersrecht met betrekking tot dat ras licenties van kracht worden ingevolge een openbaar aanbod, gedaan op de wijze als voorzien in artikel 45.
3. De op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet krachtens artikel 31 van het Kwekersbesluit 1941 ingestelde rassenlijsten worden met ingang van dat tijdstip geacht te zijn rassenlijsten in de zin van artikel 73.
4. De op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet bij de in artikel 6 van het Kwekersbesluit 1941 bedoelde Raad voor het kwekersrecht aanhangige aanvragen en verzoeken, zijn met ingang van dat tijdstip van rechtswege aanhangig bij de Raad in de staat, waarin zij zich alsdan bevinden, met dien verstande, dat:
a. een aanvraag ter inschrijving in het Centraal Rassenregister beschouwd wordt als een aanvraag tot verlening van kwekersrecht, en
b. een aanvraag, die betrekking had op een ras, als bedoeld in artikel 18, tweede lid, beschouwd wordt als een aanvrage tot inschrijving van het ras in het Nederlands Rassenregister, en
c. een verzoek tot overschrijving van een inschrijving in het Centraal Rassenregister geldt als een opeising van het kwekersrecht in de zin van artikel 55.
De Raad draagt zorg voor de nodige aantekeningen in het Nederlands Rassenregister.
5. De op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet bij de Raad van Beroep voor het kwekersrecht, bedoeld in artikel 23 van het Kwekersbesluit 1941 aanhangige zaken zijn met ingang van dat tijdstip van rechtswege aanhangig bij de Afdeling van Beroep in de staat, waarin zij zich alsdan bevinden. De Raad draagt zorg voor de nodige aantekeningen in het Nederlands Rassenregister.
6. De op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet ingevolge de artikelen 23, 24 of 28 van het Kwekersbesluit 1941 bij de Raad van Beroep, het Gerechtshof te 's-Gravenhage of de Hoge Raad aanhangige zaken worden behandeld en beslist overeenkomstig de bepalingen van het Kwekersbesluit 1941.
7. Ten aanzien van rassen, welke ten tijde van het inwerkingtreden van deze wet op een rassenlijst staan, blijft het bepaalde in artikel 81, eerste lid, buiten toepassing:
a. indien op dat tijdstip met betrekking tot het ras een aanvraag, als in het vierde lid, onder a of b bedoeld, aanhangig is, totdat de Raad op de aanvraag heeft beslist;
b. totdat een maand na het inwerkingtreden van deze wet is verstreken, of indien binnen die maand alsnog een aanvraag ter verlening van kwekersrecht of inschrijving in het Nederlands Rassenregister, als bedoeld in artikel l8, tweede lid, is ingediend, totdat de Raad op die aanvraag heeft beslist.
2. Voor rassen, waarop ten tijde van het inwerkingtreden van deze wet het bepaalde in artikel 7, tweede lid onder 2 e, of 46, van het Kwekersbesluit 1941 van toepassing was, blijven in afwijking van het bepaalde bij of krachtens deze wet, de artikelen 7, tweede lid onder 2 e, 40-44 en 46 van het Kwekersbesluit 1941 van toepassing tot 1 juli van het jaar volgende op dat, waarin deze wet in werking treedt of zoveel langer als bij algemene maatregel van bestuur zal worden bepaald. Onze Minister draagt er zorg voor, dat op het moment, waarop de voornoemde artikelen van het Kwekersbesluit 1941 voor enig aardappelras, dat op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet reeds vijf jaar of langer in het Centraal Rassenregister staat ingeschreven, buiten werking treden, voor de verdere duur van het kwekersrecht met betrekking tot dat ras licenties van kracht worden ingevolge een openbaar aanbod, gedaan op de wijze als voorzien in artikel 45.
3. De op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet krachtens artikel 31 van het Kwekersbesluit 1941 ingestelde rassenlijsten worden met ingang van dat tijdstip geacht te zijn rassenlijsten in de zin van artikel 73.
4. De op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet bij de in artikel 6 van het Kwekersbesluit 1941 bedoelde Raad voor het kwekersrecht aanhangige aanvragen en verzoeken, zijn met ingang van dat tijdstip van rechtswege aanhangig bij de Raad in de staat, waarin zij zich alsdan bevinden, met dien verstande, dat:
a. een aanvraag ter inschrijving in het Centraal Rassenregister beschouwd wordt als een aanvraag tot verlening van kwekersrecht, en
b. een aanvraag, die betrekking had op een ras, als bedoeld in artikel 18, tweede lid, beschouwd wordt als een aanvrage tot inschrijving van het ras in het Nederlands Rassenregister, en
c. een verzoek tot overschrijving van een inschrijving in het Centraal Rassenregister geldt als een opeising van het kwekersrecht in de zin van artikel 55.
De Raad draagt zorg voor de nodige aantekeningen in het Nederlands Rassenregister.
5. De op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet bij de Raad van Beroep voor het kwekersrecht, bedoeld in artikel 23 van het Kwekersbesluit 1941 aanhangige zaken zijn met ingang van dat tijdstip van rechtswege aanhangig bij de Afdeling van Beroep in de staat, waarin zij zich alsdan bevinden. De Raad draagt zorg voor de nodige aantekeningen in het Nederlands Rassenregister.
6. De op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet ingevolge de artikelen 23, 24 of 28 van het Kwekersbesluit 1941 bij de Raad van Beroep, het Gerechtshof te 's-Gravenhage of de Hoge Raad aanhangige zaken worden behandeld en beslist overeenkomstig de bepalingen van het Kwekersbesluit 1941.
7. Ten aanzien van rassen, welke ten tijde van het inwerkingtreden van deze wet op een rassenlijst staan, blijft het bepaalde in artikel 81, eerste lid, buiten toepassing:
a. indien op dat tijdstip met betrekking tot het ras een aanvraag, als in het vierde lid, onder a of b bedoeld, aanhangig is, totdat de Raad op de aanvraag heeft beslist;
b. totdat een maand na het inwerkingtreden van deze wet is verstreken, of indien binnen die maand alsnog een aanvraag ter verlening van kwekersrecht of inschrijving in het Nederlands Rassenregister, als bedoeld in artikel l8, tweede lid, is ingediend, totdat de Raad op die aanvraag heeft beslist.