BWBR0002873
Geldig vanaf 14-03-1984
Artikel 8
Besluit houdende instelling van een Sociaal en Cultureel Planbureau
1. Er is een Begeleidingscollege, dat tot opdracht heeft het Bureau bij te staan en te adviseren bij het uitvoeren van zijn taak.
2. Het Begeleidingscollege bestaat uit ten hoogste vijfentwintig leden die door Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur worden benoemd, geschorst en ontslagen.
3. De benoeming geschiedt als volgt:
a. Onze Ministers doen een gezamenlijke voordracht voor de benoeming van drie niet-ambtelijke leden met een ruime kennis op het gebied van het sociaal en cultureel welzijn. Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur benoemt in overeenstemming met Onze in artikel 1 genoemde andere Ministers één van deze leden tot voorzitter.
b. Onze Ministers kunnen ieder een voordracht doen voor de benoeming van één ambtelijk lid. Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur benoemt in overeenstemming met Onze in artikel 1 genoemde andere Ministers één van deze leden tot vice-voorzitter.
c. Twee leden worden benoemd op voordracht van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen.
d. Drie leden, onderscheidenlijk afkomstig van het Centraal Planbureau, van de Rijksplanologische Dienst en van het Centraal Bureau voor de Statistiek, worden benoemd op voordracht van Onze betrokken Ministers.
e. Eén lid wordt benoemd op voordracht van het Interprovinciaal Overleg.
f. Eén lid wordt benoemd op voordracht van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten.
g. Vijf leden worden benoemd op voordracht van de politiek-wetenschappelijke instituten van de politieke groeperingen die zijn vertegenwoordigd in de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur stelt een rooster vast, overeenkomstig welke telkens vijf van de politiek-wetenschappelijke instituten elk een voordracht kunnen doen voor de benoeming van één lid.
De politiek-wetenschappelijke instituten van de politieke groeperingen waarvan meer dan vijfentwintig leden zitting hebben in de Tweede Kamer der Staten-Generaal komen onafgebroken op de rooster voor, de andere politiek-wetenschappelijke instituten beurtelings.
4. Voor de in het derde lid, onder b en d, bedoelde leden kan Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur tevens op voordracht van Onze betrokken Minister een plaatsvervanger benoemen.
5. De benoemingen van de in het derde lid, onder g, bedoelde leden die worden benoemd op voordracht van een politieke groepering waarvan vijfentwintig of minder leden zitting hebben in de Tweede Kamer der Staten-Generaal geschieden voor een tijdvak van twee jaren, de overige benoemingen krachtens het derde en het vierde lid geschieden voor een tijdvak van vier jaren.
Onmiddellijke herbenoeming is in alle gevallen mogelijk.
Hij die is benoemd ter vervulling van een tussentijds opengevallen plaats, treedt af op het tijdstip waarop degene in wiens plaats hij is benoemd, had moeten aftreden.
6. Een lid of een plaatsvervangend lid wordt tussentijds ontslagen, indien:
a. hij dit verzoekt;
b. de instantie op wier voordracht hij werd benoemd, dit verzoekt;
c. hij niet langer voldoet aan de hoedanigheden op grond waarvan hij werd benoemd.
7. De directeur van het Bureau is bevoegd de vergaderingen van het Begeleidingscollege bij te wonen.
8. Het Bureau verzorgt het secretariaat van het Begeleidingscollege.
2. Het Begeleidingscollege bestaat uit ten hoogste vijfentwintig leden die door Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur worden benoemd, geschorst en ontslagen.
3. De benoeming geschiedt als volgt:
a. Onze Ministers doen een gezamenlijke voordracht voor de benoeming van drie niet-ambtelijke leden met een ruime kennis op het gebied van het sociaal en cultureel welzijn. Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur benoemt in overeenstemming met Onze in artikel 1 genoemde andere Ministers één van deze leden tot voorzitter.
b. Onze Ministers kunnen ieder een voordracht doen voor de benoeming van één ambtelijk lid. Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur benoemt in overeenstemming met Onze in artikel 1 genoemde andere Ministers één van deze leden tot vice-voorzitter.
c. Twee leden worden benoemd op voordracht van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen.
d. Drie leden, onderscheidenlijk afkomstig van het Centraal Planbureau, van de Rijksplanologische Dienst en van het Centraal Bureau voor de Statistiek, worden benoemd op voordracht van Onze betrokken Ministers.
e. Eén lid wordt benoemd op voordracht van het Interprovinciaal Overleg.
f. Eén lid wordt benoemd op voordracht van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten.
g. Vijf leden worden benoemd op voordracht van de politiek-wetenschappelijke instituten van de politieke groeperingen die zijn vertegenwoordigd in de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur stelt een rooster vast, overeenkomstig welke telkens vijf van de politiek-wetenschappelijke instituten elk een voordracht kunnen doen voor de benoeming van één lid.
De politiek-wetenschappelijke instituten van de politieke groeperingen waarvan meer dan vijfentwintig leden zitting hebben in de Tweede Kamer der Staten-Generaal komen onafgebroken op de rooster voor, de andere politiek-wetenschappelijke instituten beurtelings.
4. Voor de in het derde lid, onder b en d, bedoelde leden kan Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur tevens op voordracht van Onze betrokken Minister een plaatsvervanger benoemen.
5. De benoemingen van de in het derde lid, onder g, bedoelde leden die worden benoemd op voordracht van een politieke groepering waarvan vijfentwintig of minder leden zitting hebben in de Tweede Kamer der Staten-Generaal geschieden voor een tijdvak van twee jaren, de overige benoemingen krachtens het derde en het vierde lid geschieden voor een tijdvak van vier jaren.
Onmiddellijke herbenoeming is in alle gevallen mogelijk.
Hij die is benoemd ter vervulling van een tussentijds opengevallen plaats, treedt af op het tijdstip waarop degene in wiens plaats hij is benoemd, had moeten aftreden.
6. Een lid of een plaatsvervangend lid wordt tussentijds ontslagen, indien:
a. hij dit verzoekt;
b. de instantie op wier voordracht hij werd benoemd, dit verzoekt;
c. hij niet langer voldoet aan de hoedanigheden op grond waarvan hij werd benoemd.
7. De directeur van het Bureau is bevoegd de vergaderingen van het Begeleidingscollege bij te wonen.
8. Het Bureau verzorgt het secretariaat van het Begeleidingscollege.
- Citeren als
- Art. 8
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0002873
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl