BWBR0003083
Geldig vanaf 1977-04-18
Artikel 26
Reglement dienst hoofd- en lokaalspoorwegen
1. Voor treinbewegingen worden:
a. wissels in hoofdsporen;
b. kruisingen van sporen, op gelijke hoogte, van spoorwegen waarop dit reglement van toepassing is;
c. aansluitingen van spoorwegtakken,
en
d. beweegbare bruggen
beveiligd door een daarvoor geplaatst bedienbaar of automatisch vast sein, dat het seinbeeld "stop" kan tonen.
2. Op sporen waar de in het eerste lid bedoelde plaatsen met een snelheid van ten hoogste 40 km/h worden genaderd, mag de beveiliging ook bestaan uit een daarvoor geplaatst vast sein, dat alleen het seinbeeld "stop" kan tonen en waar de trein zijn loop begint ook uit een spoorafsluiting.
3. De Directie kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid.
4. De posten waar seinen, geplaatst ingevolge het bepaalde in het eerste lid, worden bediend, moeten zijn voorzien van toestellen waarmee een spreekverbinding tot stand kan worden gebracht met de naastliggende bewaakte posten waar een sein wordt bediend waarmee treinbewegingen kunnen worden toegelaten naar de eerstgenoemde posten.
5. De Directie kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het vierde lid.
6. De Minister bepaalt, in voorkomend geval in afwijking van artikel 12 van het Tramwegreglement, op welke wijze een kruising op gelijke hoogte met een spoor van een voor openbaar vervoer van personen opengestelde spoorweg, waarop dit reglement niet van toepassing is, beveiligd wordt; de Directie bepaalt dit ten aanzien van een kruising op gelijke hoogte met een niet voor openbaar vervoer van personen opengestelde spoorweg.
a. wissels in hoofdsporen;
b. kruisingen van sporen, op gelijke hoogte, van spoorwegen waarop dit reglement van toepassing is;
c. aansluitingen van spoorwegtakken,
en
d. beweegbare bruggen
beveiligd door een daarvoor geplaatst bedienbaar of automatisch vast sein, dat het seinbeeld "stop" kan tonen.
2. Op sporen waar de in het eerste lid bedoelde plaatsen met een snelheid van ten hoogste 40 km/h worden genaderd, mag de beveiliging ook bestaan uit een daarvoor geplaatst vast sein, dat alleen het seinbeeld "stop" kan tonen en waar de trein zijn loop begint ook uit een spoorafsluiting.
3. De Directie kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid.
4. De posten waar seinen, geplaatst ingevolge het bepaalde in het eerste lid, worden bediend, moeten zijn voorzien van toestellen waarmee een spreekverbinding tot stand kan worden gebracht met de naastliggende bewaakte posten waar een sein wordt bediend waarmee treinbewegingen kunnen worden toegelaten naar de eerstgenoemde posten.
5. De Directie kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het vierde lid.
6. De Minister bepaalt, in voorkomend geval in afwijking van artikel 12 van het Tramwegreglement, op welke wijze een kruising op gelijke hoogte met een spoor van een voor openbaar vervoer van personen opengestelde spoorweg, waarop dit reglement niet van toepassing is, beveiligd wordt; de Directie bepaalt dit ten aanzien van een kruising op gelijke hoogte met een niet voor openbaar vervoer van personen opengestelde spoorweg.