BWBR0003538
Geldig vanaf 2000-02-18
Artikel 3
Premieregeling en aanvullende voorzieningen beroepsmilitairen van de krijgsmacht
1. Aan een militair, die voor een bepaalde tijd is aangesteld bij het beroepspersoneel, wordt bij ministeriële regeling een premie toegekend:
a. nadat hij de bij zijn aanstelling op hem gelegde verplichting heeft volbracht;
b. nadat hij in voorkomend geval een verlengde verplichting heeft volbracht;
c. nadat hij zijn opleiding met gunstig resultaat heeft volbracht en hij niet heeft kunnen voldoen aan de uit de aanstelling voorvloeiende of in voorkomend geval verlengde verplichting, door een naar het oordeel van Onze Minister niet aan hem zelf te wijten oorzaak.
2. De premie is ten minste een bedrag gelijk aan 5% van het bij de aanstelling geldende laagste salarisbedrag verbonden aan de rang behorende bij de functie waarvoor hij is bestemd, berekend naar het aantal maanden van de voor de militair geldende verplichting.
3. De premie is ten hoogste een bedrag dat gelijk is aan het onder a tot en met d genoemde percentage van de bezoldiging behorende bij ten hoogste salarisnummer 19 van het salaris van de rang die één rang hoger is dan de rang die verbonden is aan de functie waarvoor hij bij aanstelling is bestemd, berekend naar het aantal maanden van de voor de militair geldende verplichting, te weten:
a. bij een verplichting van vier jaar of langer: 25%;
b. bij een verplichting van drie tot vier jaar: 23%;
c. bij een verplichting van twee tot drie jaar: 21%;
d. bij een verplichting van minder dan twee jaar: 20%.
4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het niet of gedeeltelijk toekennen van de premie.
a. nadat hij de bij zijn aanstelling op hem gelegde verplichting heeft volbracht;
b. nadat hij in voorkomend geval een verlengde verplichting heeft volbracht;
c. nadat hij zijn opleiding met gunstig resultaat heeft volbracht en hij niet heeft kunnen voldoen aan de uit de aanstelling voorvloeiende of in voorkomend geval verlengde verplichting, door een naar het oordeel van Onze Minister niet aan hem zelf te wijten oorzaak.
2. De premie is ten minste een bedrag gelijk aan 5% van het bij de aanstelling geldende laagste salarisbedrag verbonden aan de rang behorende bij de functie waarvoor hij is bestemd, berekend naar het aantal maanden van de voor de militair geldende verplichting.
3. De premie is ten hoogste een bedrag dat gelijk is aan het onder a tot en met d genoemde percentage van de bezoldiging behorende bij ten hoogste salarisnummer 19 van het salaris van de rang die één rang hoger is dan de rang die verbonden is aan de functie waarvoor hij bij aanstelling is bestemd, berekend naar het aantal maanden van de voor de militair geldende verplichting, te weten:
a. bij een verplichting van vier jaar of langer: 25%;
b. bij een verplichting van drie tot vier jaar: 23%;
c. bij een verplichting van twee tot drie jaar: 21%;
d. bij een verplichting van minder dan twee jaar: 20%.
4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het niet of gedeeltelijk toekennen van de premie.