BWBR0003716
Geldig vanaf 1984-11-01
Artikel 20
Besluit hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden
1. Indien de diepte van het zwem- of badwater gelijk is aan of minder is dan 1,10 meter, heeft de bodem geen steilere helling dan 0,06 meter per strekkende meter en biedt de bodem voldoende weerstand tegen uitglijden.
2. Indien de diepte van het zwem- of badwater meer is dan 1,10 meter, maar gelijk is aan of minder is dan 1,40 meter, en de bodem een steilere helling heeft dan 0,06 meter per strekkende meter, is 0,50 meter voor het begin van deze steilere helling een drijflijn aanwezig.
3. Indien de diepte van het zwem- of badwater meer is dan 1,40 meter, is langs de lange wanden van het bassin op een diepte van ten minste 1,00 meter en ten hoogste 1,20 meter beneden de waterspiegel een voorziening aangebracht waarop zwemmers en baders kunnen staan. Tevens is langs de lange wanden, ten hoogste 0,35 meter boven de waterspiegel, een voorziening aangebracht waaraan zwemmers en baders zich vast kunnen houden.
2. Indien de diepte van het zwem- of badwater meer is dan 1,10 meter, maar gelijk is aan of minder is dan 1,40 meter, en de bodem een steilere helling heeft dan 0,06 meter per strekkende meter, is 0,50 meter voor het begin van deze steilere helling een drijflijn aanwezig.
3. Indien de diepte van het zwem- of badwater meer is dan 1,40 meter, is langs de lange wanden van het bassin op een diepte van ten minste 1,00 meter en ten hoogste 1,20 meter beneden de waterspiegel een voorziening aangebracht waarop zwemmers en baders kunnen staan. Tevens is langs de lange wanden, ten hoogste 0,35 meter boven de waterspiegel, een voorziening aangebracht waaraan zwemmers en baders zich vast kunnen houden.