BWBR0003771
Geldig vanaf 01-08-1994
Artikel I-C16
Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel
1. De betrokkene behorend tot het educatief personeel, bedoeld in artikel I-C15, onderdeel b, en onderdeel d heeft per kalenderjaar recht op 184 uren vakantieverlof met behoud van bezoldiging.
2. Aan de betrokkene, behorend tot het overige personeel, verleent het bevoegd gezag vakantieverlof met behoud van bezoldiging. De duur van het vakantieverlof per kalenderjaar wordt afhankelijk van het salaris in de desbetreffende betrekking bij de aanvang van het kalenderjaar, dan wel, in geval van indiensttreding in de loop van het kalenderjaar, op het tijdstip van indiensttreding vastgesteld volgens onderstaande tabel, waarbij onder schaal wordt verstaan de desbetreffende schaal, bedoeld in hoofdstuk I-P.
[tabel]
3. De ingevolge het vorige lid vastgestelde duur van het vakantieverlof wordt afhankelijk van de leeftijd, die de betrokkene in het desbetreffende kalenderjaar bereikt, verlengd overeenkomstig de hierna volgende tabel:
[tabel]
4. Voor zover de werkzaamheden aan de instelling dit toelaten, wordt het vakantieverlof ononderbroken verleend. Bij splitsing wordt ten minste de helft van het vakantieverlof aaneengesloten verleend.
5. Het tijdstip van het vakantieverlof wordt na overleg met de betrokkene door het bevoegd gezag vastgesteld. Ten aanzien van de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e5, geschiedt dit in de periode, waarin geen vormingsactiviteiten met de deelnemers plaatsvinden.
6. In bijzondere gevallen kan het bevoegd gezag op verzoek van de betrokkene vakantieverlof verlenen buiten de periode, genoemd in het vijfde lid.
7. Het bevoegd gezag kan, in bijzondere gevallen en nadat vóór de contractperiode met de betrokkene die werkzaamheden in verband met contractactiviteiten gaat verrichten daarover overeenstemming is bereikt, in plaats van het verlof, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, verlof verlenen in de periode waarin vormingsactiviteiten met de deelnemers plaatsvinden. Het bevoegd gezag doet hiervan mededeling aan de inspectie.
8. Het vierde lid is niet van toepassing op de betrokkene die gebruik maakt van hoofdstuk I-V.
9. Met ingang van de dag waarop de betrokkene gebruik maakt van hoofdstuk I-V, wordt zijn aanspraak op vakantieverlof-uren verminderd in verhouding tot de vermindering van zijn werktijd.
2. Aan de betrokkene, behorend tot het overige personeel, verleent het bevoegd gezag vakantieverlof met behoud van bezoldiging. De duur van het vakantieverlof per kalenderjaar wordt afhankelijk van het salaris in de desbetreffende betrekking bij de aanvang van het kalenderjaar, dan wel, in geval van indiensttreding in de loop van het kalenderjaar, op het tijdstip van indiensttreding vastgesteld volgens onderstaande tabel, waarbij onder schaal wordt verstaan de desbetreffende schaal, bedoeld in hoofdstuk I-P.
[tabel]
3. De ingevolge het vorige lid vastgestelde duur van het vakantieverlof wordt afhankelijk van de leeftijd, die de betrokkene in het desbetreffende kalenderjaar bereikt, verlengd overeenkomstig de hierna volgende tabel:
[tabel]
4. Voor zover de werkzaamheden aan de instelling dit toelaten, wordt het vakantieverlof ononderbroken verleend. Bij splitsing wordt ten minste de helft van het vakantieverlof aaneengesloten verleend.
5. Het tijdstip van het vakantieverlof wordt na overleg met de betrokkene door het bevoegd gezag vastgesteld. Ten aanzien van de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e5, geschiedt dit in de periode, waarin geen vormingsactiviteiten met de deelnemers plaatsvinden.
6. In bijzondere gevallen kan het bevoegd gezag op verzoek van de betrokkene vakantieverlof verlenen buiten de periode, genoemd in het vijfde lid.
7. Het bevoegd gezag kan, in bijzondere gevallen en nadat vóór de contractperiode met de betrokkene die werkzaamheden in verband met contractactiviteiten gaat verrichten daarover overeenstemming is bereikt, in plaats van het verlof, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, verlof verlenen in de periode waarin vormingsactiviteiten met de deelnemers plaatsvinden. Het bevoegd gezag doet hiervan mededeling aan de inspectie.
8. Het vierde lid is niet van toepassing op de betrokkene die gebruik maakt van hoofdstuk I-V.
9. Met ingang van de dag waarop de betrokkene gebruik maakt van hoofdstuk I-V, wordt zijn aanspraak op vakantieverlof-uren verminderd in verhouding tot de vermindering van zijn werktijd.
- Citeren als
- Art. I-C16
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0003771
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl