BWBR0003771
Geldig vanaf 01-01-1996
Artikel I-F1
Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. overledene: hij, die op de dag van zijn overlijden betrokkene was.
b. uitkeringsbasis: 1. in het geval, bedoeld onder a1: de tot een maandbedrag herleide bezoldiging welke voor de betrokkene gold op de dag van overlijden, vermeerderd met het bedrag van de vakantie-uitkering over de desbetreffende maand, met dien verstande dat de overledene die werkzaam was aan een instelling voor voortgezet onderwijs met een cursusduur van minder dan 12 maanden, voor de toepassing van dit hoofdstuk geacht wordt zijn totale jaarlijkse bezoldiging te hebben ontvangen in 12 gelijke maandelijkse termijnen;
1. in het geval, bedoeld onder a1: de tot een maandbedrag herleide bezoldiging welke voor de betrokkene gold op de dag van overlijden, vermeerderd met het bedrag van de vakantie-uitkering over de desbetreffende maand, met dien verstande dat de overledene die werkzaam was aan een instelling voor voortgezet onderwijs met een cursusduur van minder dan 12 maanden, voor de toepassing van dit hoofdstuk geacht wordt zijn totale jaarlijkse bezoldiging te hebben ontvangen in 12 gelijke maandelijkse termijnen;
c. bevoegd gezag: voor wat betreft: 1. een betrokkene als bedoeld onder a1: het bevoegd gezag, bedoeld in artikel I-A1, onder f;
2. een gewezen betrokkene als bedoeld onder a2 en a3: Onze minister.
1. een betrokkene als bedoeld onder a1: het bevoegd gezag, bedoeld in artikel I-A1, onder f;
2. een gewezen betrokkene als bedoeld onder a2 en a3: Onze minister.
a. overledene: hij, die op de dag van zijn overlijden betrokkene was.
b. uitkeringsbasis: 1. in het geval, bedoeld onder a1: de tot een maandbedrag herleide bezoldiging welke voor de betrokkene gold op de dag van overlijden, vermeerderd met het bedrag van de vakantie-uitkering over de desbetreffende maand, met dien verstande dat de overledene die werkzaam was aan een instelling voor voortgezet onderwijs met een cursusduur van minder dan 12 maanden, voor de toepassing van dit hoofdstuk geacht wordt zijn totale jaarlijkse bezoldiging te hebben ontvangen in 12 gelijke maandelijkse termijnen;
1. in het geval, bedoeld onder a1: de tot een maandbedrag herleide bezoldiging welke voor de betrokkene gold op de dag van overlijden, vermeerderd met het bedrag van de vakantie-uitkering over de desbetreffende maand, met dien verstande dat de overledene die werkzaam was aan een instelling voor voortgezet onderwijs met een cursusduur van minder dan 12 maanden, voor de toepassing van dit hoofdstuk geacht wordt zijn totale jaarlijkse bezoldiging te hebben ontvangen in 12 gelijke maandelijkse termijnen;
c. bevoegd gezag: voor wat betreft: 1. een betrokkene als bedoeld onder a1: het bevoegd gezag, bedoeld in artikel I-A1, onder f;
2. een gewezen betrokkene als bedoeld onder a2 en a3: Onze minister.
1. een betrokkene als bedoeld onder a1: het bevoegd gezag, bedoeld in artikel I-A1, onder f;
2. een gewezen betrokkene als bedoeld onder a2 en a3: Onze minister.
- Citeren als
- Art. I-F1
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0003771
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl