BWBR0003771
Geldig vanaf 01-08-1998
Artikel I-G2
Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel
1. Het bevoegd gezag stelt zo spoedig mogelijk, doch in ieder geval binnen drie maanden na de datum waarop dit besluit voor de instelling van toepassing is geworden, een afvloeiingsregeling vast voor het personeel in vaste dienst, waarin de belangen van de instelling en van de betrokkenen zoveel mogelijk gelijkelijk in acht worden genomen. Het bevoegd gezag kan deze taak overdragen aan de vereniging van instellingsbesturen waarbij de instelling is aangesloten.
2. De regeling wordt niet vastgesteld dan nadat met verenigingen als bedoeld in artikel 64 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 66 van de Wet op de expertisecentra, artikel 184 van de Wet op het voortgezet onderwijs”“onderwijs”” moet zijn “onderwijs,”. artikel 2.51 en 2.59 van de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs, artikel 20 van het Besluit vormingswerk voor jeugdigen, artikel 61 van de Wet op de onderwijsverzorging of artikel 9 van de Kaderwet volwasseneneducatie dan wel verenigingen van het aan de instellingen, bedoeld in artikel I-A1, onder d6 en d7, verbonden personeel, voor zover deze hun werkzaamheden uitstrekken over het aan zodanige instellingen verbonden personeel, overleg is gepleegd.
3. Bij samenvoeging stelt het bevoegd gezag een afvloeiingsregeling vast met inachtneming van het bepaalde in het eerste en tweede lid. Van de in de eerste volzin bedoelde afvloeiingsregeling dient een overgangsregeling deel uit te maken. In de overgangsregeling is vastgelegd op welke wijze op het moment van samenvoeging de afvloeiingsvolgorden, zoals vastgesteld aan de bij de samenvoeging betrokken scholen tot één volgorde worden gemaakt.
4. Bij omzetting van een benoeming in een bestuursbenoeming stelt het bevoegd gezag een afvloeiingsregeling vast met inachtneming van het bepaalde in het eerste en tweede lid. Van de in de eerste volzin bedoelde afvloeiingsregeling dient een overgangsregeling deel uit te maken. In de overgangsregeling wordt een voorziening geboden voor het reeds aan de instelling benoemde personeel dat geen omzetting van de benoeming wenst.
5. Ter vermijding van kennelijke onbillijkheid en wanneer het belang van de instelling dit kennelijk vereist, kan bij de verlening van ontslag van de vastgestelde afvloeiingsregeling worden afgeweken, met dien verstande, dat indien de omvang van de voorgenomen afvloeiing daartoe aanleiding geeft, deze geschiedt naar een bepaald vooraf vastgesteld en aan de betrokkenen kenbaar gemaakt plan.
2. De regeling wordt niet vastgesteld dan nadat met verenigingen als bedoeld in artikel 64 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 66 van de Wet op de expertisecentra, artikel 184 van de Wet op het voortgezet onderwijs”“onderwijs”” moet zijn “onderwijs,”. artikel 2.51 en 2.59 van de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs, artikel 20 van het Besluit vormingswerk voor jeugdigen, artikel 61 van de Wet op de onderwijsverzorging of artikel 9 van de Kaderwet volwasseneneducatie dan wel verenigingen van het aan de instellingen, bedoeld in artikel I-A1, onder d6 en d7, verbonden personeel, voor zover deze hun werkzaamheden uitstrekken over het aan zodanige instellingen verbonden personeel, overleg is gepleegd.
3. Bij samenvoeging stelt het bevoegd gezag een afvloeiingsregeling vast met inachtneming van het bepaalde in het eerste en tweede lid. Van de in de eerste volzin bedoelde afvloeiingsregeling dient een overgangsregeling deel uit te maken. In de overgangsregeling is vastgelegd op welke wijze op het moment van samenvoeging de afvloeiingsvolgorden, zoals vastgesteld aan de bij de samenvoeging betrokken scholen tot één volgorde worden gemaakt.
4. Bij omzetting van een benoeming in een bestuursbenoeming stelt het bevoegd gezag een afvloeiingsregeling vast met inachtneming van het bepaalde in het eerste en tweede lid. Van de in de eerste volzin bedoelde afvloeiingsregeling dient een overgangsregeling deel uit te maken. In de overgangsregeling wordt een voorziening geboden voor het reeds aan de instelling benoemde personeel dat geen omzetting van de benoeming wenst.
5. Ter vermijding van kennelijke onbillijkheid en wanneer het belang van de instelling dit kennelijk vereist, kan bij de verlening van ontslag van de vastgestelde afvloeiingsregeling worden afgeweken, met dien verstande, dat indien de omvang van de voorgenomen afvloeiing daartoe aanleiding geeft, deze geschiedt naar een bepaald vooraf vastgesteld en aan de betrokkenen kenbaar gemaakt plan.
- Citeren als
- Art. I-G2
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0003771
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl