BWBR0003771
Geldig vanaf 01-08-1998
Artikel I-V3
Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel
1. De omvang van het verlof bedraagt voor alle betrokkenen zowel bij een normbetrekking als bij een deel van de normbetrekking op jaarbasis ten minste 45 uren.
2. De omvang van het verlof bedraagt voor de betrokkene die is benoemd in een functie als bedoeld in hoofdstuk I-Q of I-R en die de leeftijd van 52 jaar heeft bereikt maar jonger is dan 56 jaar bij een normbetrekking op jaarbasis ten hoogste 170 uren.
3. De omvang van het verlof bedraagt voor de betrokkene die is benoemd in een functie als bedoeld in hoofdstuk I-Q of hoofdstuk I-R en die de leeftijd van 56 jaar heeft bereikt bij een normbetrekking op jaarbasis ten hoogste 340 uren.
4. De omvang van het verlof bedraagt voor de betrokkene die is benoemd in een functie als bedoeld in hoofdstuk I-S, op jaarbasis het aantal uren dat de uitkomst is van de formule
(1659 – (a + b)) x L
---------------------------,
1659
waarbij
a = het bij de leeftijd van betrokkene behorende aantal verlofuren op grond van artikel I-C7, derde lid, of artikel I-C24, tweede lid,
b = 112,5 uren voor de betrokkene, bedoeld in artikel I-S111, eerste lid, en
L = voor de betrokkene die de leeftijd van 52 jaar heeft bereikt maar jonger is dan 56 jaar 170 uren en voor de betrokkene van 56 jaar of ouder 340 uren.
5. Voor de betrokkene met een betrekkingsomvang van minder dan een normbetrekking, wordt het aantal uren verlof, bedoeld in het tweede, derde en vierde lid, vastgesteld naar evenredigheid van die betrekkingsomvang en rekenkundig afgerond op gehele of halve uren.
2. De omvang van het verlof bedraagt voor de betrokkene die is benoemd in een functie als bedoeld in hoofdstuk I-Q of I-R en die de leeftijd van 52 jaar heeft bereikt maar jonger is dan 56 jaar bij een normbetrekking op jaarbasis ten hoogste 170 uren.
3. De omvang van het verlof bedraagt voor de betrokkene die is benoemd in een functie als bedoeld in hoofdstuk I-Q of hoofdstuk I-R en die de leeftijd van 56 jaar heeft bereikt bij een normbetrekking op jaarbasis ten hoogste 340 uren.
4. De omvang van het verlof bedraagt voor de betrokkene die is benoemd in een functie als bedoeld in hoofdstuk I-S, op jaarbasis het aantal uren dat de uitkomst is van de formule
(1659 – (a + b)) x L
---------------------------,
1659
waarbij
a = het bij de leeftijd van betrokkene behorende aantal verlofuren op grond van artikel I-C7, derde lid, of artikel I-C24, tweede lid,
b = 112,5 uren voor de betrokkene, bedoeld in artikel I-S111, eerste lid, en
L = voor de betrokkene die de leeftijd van 52 jaar heeft bereikt maar jonger is dan 56 jaar 170 uren en voor de betrokkene van 56 jaar of ouder 340 uren.
5. Voor de betrokkene met een betrekkingsomvang van minder dan een normbetrekking, wordt het aantal uren verlof, bedoeld in het tweede, derde en vierde lid, vastgesteld naar evenredigheid van die betrekkingsomvang en rekenkundig afgerond op gehele of halve uren.
- Citeren als
- Art. I-V3
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0003771
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl