BWBR0003771
Geldig vanaf 01-03-1994
Artikel V-Q202
Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel
1. De adjunct-directeur voor wie met toepassing van artikel C1 van het Besluit overgangsmaatregelen b.o. 1985 een uitzicht is vastgesteld, behoudt aanspraak op vaststelling van zijn salaris overeenkomstig dat uitzicht, zolang hij in de desbetreffende adjunct-directeursfunctie benoemd blijft dan wel zonder wezenlijke onderbreking in het basisonderwijs werkzaam blijft in een functie als adjunct-directeur met een maximumschaal die ten minste gelijk is aan die welke voor hem geldt in de functie waarin hij op 1 augustus 1985 is benoemd.
2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid blijft de adjunct-directeur die op 31 juli 1985 in dienst was als hoofd van een lagere school, als bedoeld in artikel A1, tweede lid, onder d, van het Besluit overgangsmaatregelen b.o. 1985, aanspraak behouden op vaststelling van zijn salaris overeenkomstig het uitzicht bedoeld in artikel C1 van laatstgenoemd Besluit, zolang hij zonder wezenlijke onderbreking werkzaam blijft bij het basisonderwijs in een functie met een maximumschaal die ten minste gelijk is aan die welke voor hem geldt in de functie waarin hij op 1 augustus 1985 is benoemd.
3. Het bepaalde in het eerste en tweede lid laat onverlet de aanspraak op bezoldiging volgens het uitzicht dat voor de betrokkene kan zijn vastgesteld in zijn kwaliteit als onderwijzer op 31 juli 1985, als aangegeven in artikel C1 dan wel als uitkeringsgenietende bedoeld in artikel C5 van het in het eerste lid genoemde Besluit. Ten aanzien van dit uitzicht is het bepaalde in artikel V-R201 van toepassing.
4. Met een wezenlijke onderbreking als aangegeven in het eerste en tweede lid, wordt een periode van langer dan twee maanden bedoeld. De tijd gedurende welke een ontslaguitkering als bedoeld in hoofdstuk I-H dan wel een uitkering als bedoeld in het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel wordt genoten, wordt niet als onderbreking aangemerkt.
2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid blijft de adjunct-directeur die op 31 juli 1985 in dienst was als hoofd van een lagere school, als bedoeld in artikel A1, tweede lid, onder d, van het Besluit overgangsmaatregelen b.o. 1985, aanspraak behouden op vaststelling van zijn salaris overeenkomstig het uitzicht bedoeld in artikel C1 van laatstgenoemd Besluit, zolang hij zonder wezenlijke onderbreking werkzaam blijft bij het basisonderwijs in een functie met een maximumschaal die ten minste gelijk is aan die welke voor hem geldt in de functie waarin hij op 1 augustus 1985 is benoemd.
3. Het bepaalde in het eerste en tweede lid laat onverlet de aanspraak op bezoldiging volgens het uitzicht dat voor de betrokkene kan zijn vastgesteld in zijn kwaliteit als onderwijzer op 31 juli 1985, als aangegeven in artikel C1 dan wel als uitkeringsgenietende bedoeld in artikel C5 van het in het eerste lid genoemde Besluit. Ten aanzien van dit uitzicht is het bepaalde in artikel V-R201 van toepassing.
4. Met een wezenlijke onderbreking als aangegeven in het eerste en tweede lid, wordt een periode van langer dan twee maanden bedoeld. De tijd gedurende welke een ontslaguitkering als bedoeld in hoofdstuk I-H dan wel een uitkering als bedoeld in het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel wordt genoten, wordt niet als onderbreking aangemerkt.
- Citeren als
- Art. V-Q202
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0003771
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl