BWBR0003771
Geldig vanaf 01-06-2001
Artikel V-R103
Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel
1. Van de betrokkene, bedoeld in artikel I-A1, onder e1, e2 en e16, die op 31 december 1999 was benoemd in een functie als bedoeld in hoofdstuk I-R en die op 1 januari 2000 wordt benoemd in een functie als bedoeld in hoofdstuk I-R of een functie als bedoeld in hoofdstuk I-Q of I-S, wordt ten behoeve van de vaststelling van het salaris in de nieuwe functie, het in die vorige onderwijsfunctie genoten salaris onverminderd artikel I-R103, eerste lid, en met inachtneming van het toen voor hem geldende carrièrepatroon, vastgesteld op een salarisbedrag dat is gelegen onmiddellijk boven het bedrag dat hij op 31 december 1999 genoot indien is voldaan aan een van de voorwaarden, bedoeld in artikel V-R102, eerste lid, onder a, b en c. De eerste volzin is niet van toepassing op de betrokkene die wordt benoemd in een functie als bedoeld in artikel I-P9, tweede lid.
2. Op de betrokkene, bedoeld in het eerste lid, aanhef, die op 1 januari 2000 wordt benoemd in een functie als bedoeld in hoofdstuk I-R met dezelfde maximumschaal als welke direct voorafgaand aan die benoeming voor hem gold, is artikel V-R102, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
3. Op de betrokkene die op 1 januari 2000 wordt benoemd in een functie als bedoeld in hoofdstuk I-R met dezelfde maximumschaal als welke direct voorafgaand aan die benoeming voor hem gold, en wiens salaris op grond van het eerste lid hoger werd vastgesteld en die voorts in diezelfde functie blijft benoemd, is artikel V-R102, derde lid, van overeenkomstige toepassing.
4. Op de betrokkene die op 1 januari 2000 wordt benoemd in een functie als bedoeld in hoofdstuk I-R met dezelfde maximumschaal als welke direct voorafgaand aan die benoeming voor hem gold, en wiens salaris niet hoger werd vastgesteld op grond van het eerste lid, uitsluitend om de reden dat hij op 1 januari 2000 niet voldeed aan de promotiecriteria, bedoeld in artikel I-R103, eerste lid, en die voorts in diezelfde functie blijft benoemd, is artikel V-R102, vierde lid, van overeenkomstige toepassing.
5. De betrokkene die op grond van het tweede, het derde of het vierde lid aanspraak heeft op een maandelijkse toelage en die op enig moment na 1 januari 2000 wordt benoemd in een functie als bedoeld in hoofdstuk I-R met dezelfde maximumschaal als welke direct voorafgaand aan die benoeming voor hem gold, behoudt die aanspraak. De tijd gedurende welke een uitkering ingevolge het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel werd genoten, wordt niet als onderbreking van het dienstverband aangemerkt.
6. De toelage, bedoeld in het tweede, het derde, het vierde en het vijfde lid, bedraagt een evenredig deel van het in bijlage 2, onderdeel 6, bedoelde maandbedrag rekenkundig afgerond op centen, indien de betrokkene een betrekkingsomvang anders dan een normbetrekking heeft.
2. Op de betrokkene, bedoeld in het eerste lid, aanhef, die op 1 januari 2000 wordt benoemd in een functie als bedoeld in hoofdstuk I-R met dezelfde maximumschaal als welke direct voorafgaand aan die benoeming voor hem gold, is artikel V-R102, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
3. Op de betrokkene die op 1 januari 2000 wordt benoemd in een functie als bedoeld in hoofdstuk I-R met dezelfde maximumschaal als welke direct voorafgaand aan die benoeming voor hem gold, en wiens salaris op grond van het eerste lid hoger werd vastgesteld en die voorts in diezelfde functie blijft benoemd, is artikel V-R102, derde lid, van overeenkomstige toepassing.
4. Op de betrokkene die op 1 januari 2000 wordt benoemd in een functie als bedoeld in hoofdstuk I-R met dezelfde maximumschaal als welke direct voorafgaand aan die benoeming voor hem gold, en wiens salaris niet hoger werd vastgesteld op grond van het eerste lid, uitsluitend om de reden dat hij op 1 januari 2000 niet voldeed aan de promotiecriteria, bedoeld in artikel I-R103, eerste lid, en die voorts in diezelfde functie blijft benoemd, is artikel V-R102, vierde lid, van overeenkomstige toepassing.
5. De betrokkene die op grond van het tweede, het derde of het vierde lid aanspraak heeft op een maandelijkse toelage en die op enig moment na 1 januari 2000 wordt benoemd in een functie als bedoeld in hoofdstuk I-R met dezelfde maximumschaal als welke direct voorafgaand aan die benoeming voor hem gold, behoudt die aanspraak. De tijd gedurende welke een uitkering ingevolge het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel werd genoten, wordt niet als onderbreking van het dienstverband aangemerkt.
6. De toelage, bedoeld in het tweede, het derde, het vierde en het vijfde lid, bedraagt een evenredig deel van het in bijlage 2, onderdeel 6, bedoelde maandbedrag rekenkundig afgerond op centen, indien de betrokkene een betrekkingsomvang anders dan een normbetrekking heeft.
- Citeren als
- Art. V-R103
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0003771
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl