BWBR0003771
Geldig vanaf 01-03-1994
Artikel V-R701
Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel
1. De vormingsleider voor wie met toepassing van artikel C2, eerste lid, van het Besluit overgangsmaatregelen v.j. en v.j.v. 1985 een uitzicht is vastgesteld en die met ingang van 1 april 1985 wordt benoemd in een functie waarin het hoogste bedrag in de daarbij behorende maximumschaal lager is dan dat uitzicht, behoudt, behoudens het bepaalde in het vierde en vijfde lid, aanspraak op vaststelling van zijn salaris overeenkomstig dat uitzicht, zolang hij zonder wezenlijke onderbreking werkzaam blijft in een functie als bedoeld in hoofdstuk I-Q en I-R in het vormingswerk.
2. De vormingsleider, bedoeld in het eerste lid, die na 1 april 1985 een functie aanvaardt met een hoger maximumsalaris dan het bedrag van het voor hem vastgestelde uitzicht, behoudt nadien de aanspraak op vaststelling van zijn salaris overeenkomstig het voor hem vastgestelde uitzicht slechts indien hij uit die functie met een hoger maximumsalaris wordt ontslagen met recht op een ontslaguitkering als bedoeld in hoofdstuk I-H dan wel een uitkering als bedoeld in het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel of, voor wat betreft de vormingsleider van een instituut voor vormingswerk voor jonge volwassenen, een uitkering ingevolge het Besluit van 4 december 1979, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Werkloosheidswet (Stb. 1979, 769) en hij daarna zonder wezenlijke onderbreking, doch vóór 1 april 2000 een functie aanvaardt met een maximumsalaris dat lager is dan het voor hem vastgestelde uitzicht.
3. Met een wezenlijke onderbreking als aangegeven in het eerste en tweede lid wordt een periode van langer dan twee maanden bedoeld. De tijd gedurende welke een ontslaguitkering als bedoeld in hoofdstuk I-H dan wel een uitkering als bedoeld in het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel of, voor wat betreft de vormingsleider van een instituut voor vormingswerk voor jonge volwassenen, een uitkering ingevolge het Besluit van 4 december 1979, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Werkloosheidswet (Stb. 1979, 769) wordt genoten, wordt niet als onderbreking aangemerkt.
4. Ten aanzien van de vormingsleider die op 1 april 1985 in het genot is van een ontslaguitkering en voor wie met toepassing van artikel C7 van het Besluit overgangsmaatregelen v.j. en v.j.v. 1985 een uitzicht is vastgesteld, is het bepaalde in de voorgaande leden van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat voor de datum "1 april 1985" wordt gelezen: de dag waarop hij na 1 april 1985 zijn functie als vormingsleider aanvaardt.
5. Zolang de vormingsleider, bedoeld in het eerste tot en met vierde lid, is benoemd in een functie waarvan het maximumsalaris lager is dan het voor hem ingevolge artikel C2, eerste lid, van het Besluit overgangsmaatregelen v.j. en v.j.v. 1985 vastgesteld uitzicht, is hij ontheven van de verplichting te voldoen aan de promotiecriteria bedoeld in artikel I-R103.
2. De vormingsleider, bedoeld in het eerste lid, die na 1 april 1985 een functie aanvaardt met een hoger maximumsalaris dan het bedrag van het voor hem vastgestelde uitzicht, behoudt nadien de aanspraak op vaststelling van zijn salaris overeenkomstig het voor hem vastgestelde uitzicht slechts indien hij uit die functie met een hoger maximumsalaris wordt ontslagen met recht op een ontslaguitkering als bedoeld in hoofdstuk I-H dan wel een uitkering als bedoeld in het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel of, voor wat betreft de vormingsleider van een instituut voor vormingswerk voor jonge volwassenen, een uitkering ingevolge het Besluit van 4 december 1979, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Werkloosheidswet (Stb. 1979, 769) en hij daarna zonder wezenlijke onderbreking, doch vóór 1 april 2000 een functie aanvaardt met een maximumsalaris dat lager is dan het voor hem vastgestelde uitzicht.
3. Met een wezenlijke onderbreking als aangegeven in het eerste en tweede lid wordt een periode van langer dan twee maanden bedoeld. De tijd gedurende welke een ontslaguitkering als bedoeld in hoofdstuk I-H dan wel een uitkering als bedoeld in het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel of, voor wat betreft de vormingsleider van een instituut voor vormingswerk voor jonge volwassenen, een uitkering ingevolge het Besluit van 4 december 1979, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Werkloosheidswet (Stb. 1979, 769) wordt genoten, wordt niet als onderbreking aangemerkt.
4. Ten aanzien van de vormingsleider die op 1 april 1985 in het genot is van een ontslaguitkering en voor wie met toepassing van artikel C7 van het Besluit overgangsmaatregelen v.j. en v.j.v. 1985 een uitzicht is vastgesteld, is het bepaalde in de voorgaande leden van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat voor de datum "1 april 1985" wordt gelezen: de dag waarop hij na 1 april 1985 zijn functie als vormingsleider aanvaardt.
5. Zolang de vormingsleider, bedoeld in het eerste tot en met vierde lid, is benoemd in een functie waarvan het maximumsalaris lager is dan het voor hem ingevolge artikel C2, eerste lid, van het Besluit overgangsmaatregelen v.j. en v.j.v. 1985 vastgesteld uitzicht, is hij ontheven van de verplichting te voldoen aan de promotiecriteria bedoeld in artikel I-R103.
- Citeren als
- Art. V-R701
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0003771
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl