BWBR0003842
Geldig vanaf 1986-01-01
Artikel 4
Postbankwet
1. De overgang op de Postbank N.V. van alle vermogensbestanddelen van de Staat welke aan de Postcheque- en Girodienst worden toegerekend en van de vermogensbestanddelen van de Rijkspostspaarbank, zoals bepaald in de artikelen 2en 3, wordt aangemerkt als storting door de Staat op aandelen of op leningen van de Staat aan de bank welke leningen, behalve bij conversie in aandelen, niet vatbaar zijn voor verrekening, en al dan niet achtergesteld kunnen zijn bij de vorderingen van derden.
2. Onze Minister van Financiën stelt, De Nederlandsche Bank N.V. gehoord, vast tot welke bedragen de in het eerste lid bedoelde storting wordt aangemerkt als storting op de in het eerste lid bedoelde leningen, waarbij Onze voornoemde Minister bepaalt welk gedeelte van deze leningen als achtergesteld wordt aangemerkt, een en ander zodanig dat de solvabiliteitspositie van de Postbank N.V. niet onevenredig afwijkt van de gemiddelde solvabiliteitspositie van de Nederlandse kredietinstellingen, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, c en f, van de Wet toezicht kredietwezen( Stb.1978, 255).
2. Onze Minister van Financiën stelt, De Nederlandsche Bank N.V. gehoord, vast tot welke bedragen de in het eerste lid bedoelde storting wordt aangemerkt als storting op de in het eerste lid bedoelde leningen, waarbij Onze voornoemde Minister bepaalt welk gedeelte van deze leningen als achtergesteld wordt aangemerkt, een en ander zodanig dat de solvabiliteitspositie van de Postbank N.V. niet onevenredig afwijkt van de gemiddelde solvabiliteitspositie van de Nederlandse kredietinstellingen, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, c en f, van de Wet toezicht kredietwezen( Stb.1978, 255).