BWBR0003966
Geldig vanaf 1986-06-01
Artikel E.65
Invoeringswet W.H.B.O.
1. Met ingang van 1 augustus 1986 kunnen tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum de op 31 juli 1986 uit ’s Rijks kas bekostigde scholengemeenschappen waarvan naast ander voortgezet onderwijs scholen en cursussen voor hoger beroepsonderwijs, opleidingen voor onderwijzend personeel en kunstonderwijs daaronder begrepen, deel uitmaken, in stand blijven als onderwijsgemeenschap HBO-instelling/voortgezet onderwijs, indien het bevoegd gezag zulks wenselijk oordeelt. De centrale directie dan wel het college van bestuur van de instelling voor hoger beroepsonderwijs staat tevens aan het hoofd van de scholen en cursussen voor voortgezet onderwijs die deel uitmaken van de onderwijsgemeenschap.
2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kunnen met ingang van 1 augustus 1986 de op 31 juli uit ’s Rijks kas bekostigde scholengemeenschappen waarvan scholen en cursussen hoger sociaal-pedagogisch onderwijs en middelbaar dienstverlenings- en gezondheidszorgonderwijs deel uitmaken waarvan het onderwijs in nauwe onderlinge samenhang is geprogrammeerd, als onderwijsgemeenschap HBO-instelling/voortgezet onderwijs in stand blijven.
3. Onze minister kan toestaan dat ten aanzien van bepaalde studierichtingen die deel uitmaken van een onderwijsgemeenschap, wordt afgeweken van de voorschriften van het HBO-statuut met betrekking tot de vooropleidingseisen, indien deze studierichtingen worden geprogrammeerd in nauwe samenhang met de overeenkomstige opleiding behorend tot het middelbaar beroepsonderwijs.
4. De artikelen 26en 77, derde lid, van de W.V.O.zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van scholen en cursussen voor voortgezet onderwijs die deel uitmaken van een onderwijsgemeenschap.
5. Een openbare onderwijsgemeenschap HBO-instelling/voortgezet onderwijs kan uitgaan van een openbaar lichaam, ingesteld bij een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen, waarin deelnemen een of meer gemeenten dan wel een of meer gemeenten en het Rijk al dan niet te zamen met een of meer privaatrechtelijke rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid. Als bevoegd gezag van een openbare onderwijsgemeenschap als bedoeld in de eerste volzin, wordt het krachtens de desbetreffende regeling bevoegde orgaan aangemerkt.
6. Indien het bevoegd gezag besluit
a. met ingang van 1 augustus 1986 geen onderwijsgemeenschap HBO-instelling/voortgezet onderwijs in stand te houden, dan wel
b. op enig later tijdstip de onderwijsgemeenschap te beëindigen, wordt de bekostiging uit ’s Rijks kas van de scholen en cursussen voor voortgezet onderwijs uitsluitend voortgezet, indien is voldaan aan door Onze minister te stellen voorwaarden met betrekking tot de omvang van deze scholen en cursussen alsmede de spreiding ervan in het licht van een evenwichtig geheel van onderwijsvoorzieningen. Hoofdstuk I van titel III van de Wet op het voortgezet onderwijs is in dat geval niet van toepassing.
7. Indien niet aan de krachtens het vorige lid gestelde voorwaarden wordt voldaan, bepaalt Onze minister de datum van de beëindiging van de bekostiging.
8. Onze minister geeft voorschriften met betrekking tot de gevolgen voor het personeel en voor de terreinen, gebouwen en de inventaris van de totstandkoming en beëindiging van onderwijsgemeenschappen HBO-instelling/voortgezet onderwijs.
9. Indien onderwijsgemeenschappen dienen te worden beëindigd omdat bij koninklijk besluit de datum, bedoeld in het eerste lid, is bepaald, zijn het zesde en zevende lid van overeenkomstige toepassing.
10. Tegen een besluit als bedoeld in het zesde en het zevende lid kan een belanghebbende beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kunnen met ingang van 1 augustus 1986 de op 31 juli uit ’s Rijks kas bekostigde scholengemeenschappen waarvan scholen en cursussen hoger sociaal-pedagogisch onderwijs en middelbaar dienstverlenings- en gezondheidszorgonderwijs deel uitmaken waarvan het onderwijs in nauwe onderlinge samenhang is geprogrammeerd, als onderwijsgemeenschap HBO-instelling/voortgezet onderwijs in stand blijven.
3. Onze minister kan toestaan dat ten aanzien van bepaalde studierichtingen die deel uitmaken van een onderwijsgemeenschap, wordt afgeweken van de voorschriften van het HBO-statuut met betrekking tot de vooropleidingseisen, indien deze studierichtingen worden geprogrammeerd in nauwe samenhang met de overeenkomstige opleiding behorend tot het middelbaar beroepsonderwijs.
4. De artikelen 26en 77, derde lid, van de W.V.O.zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van scholen en cursussen voor voortgezet onderwijs die deel uitmaken van een onderwijsgemeenschap.
5. Een openbare onderwijsgemeenschap HBO-instelling/voortgezet onderwijs kan uitgaan van een openbaar lichaam, ingesteld bij een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen, waarin deelnemen een of meer gemeenten dan wel een of meer gemeenten en het Rijk al dan niet te zamen met een of meer privaatrechtelijke rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid. Als bevoegd gezag van een openbare onderwijsgemeenschap als bedoeld in de eerste volzin, wordt het krachtens de desbetreffende regeling bevoegde orgaan aangemerkt.
6. Indien het bevoegd gezag besluit
a. met ingang van 1 augustus 1986 geen onderwijsgemeenschap HBO-instelling/voortgezet onderwijs in stand te houden, dan wel
b. op enig later tijdstip de onderwijsgemeenschap te beëindigen, wordt de bekostiging uit ’s Rijks kas van de scholen en cursussen voor voortgezet onderwijs uitsluitend voortgezet, indien is voldaan aan door Onze minister te stellen voorwaarden met betrekking tot de omvang van deze scholen en cursussen alsmede de spreiding ervan in het licht van een evenwichtig geheel van onderwijsvoorzieningen. Hoofdstuk I van titel III van de Wet op het voortgezet onderwijs is in dat geval niet van toepassing.
7. Indien niet aan de krachtens het vorige lid gestelde voorwaarden wordt voldaan, bepaalt Onze minister de datum van de beëindiging van de bekostiging.
8. Onze minister geeft voorschriften met betrekking tot de gevolgen voor het personeel en voor de terreinen, gebouwen en de inventaris van de totstandkoming en beëindiging van onderwijsgemeenschappen HBO-instelling/voortgezet onderwijs.
9. Indien onderwijsgemeenschappen dienen te worden beëindigd omdat bij koninklijk besluit de datum, bedoeld in het eerste lid, is bepaald, zijn het zesde en zevende lid van overeenkomstige toepassing.
10. Tegen een besluit als bedoeld in het zesde en het zevende lid kan een belanghebbende beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.