BWBR0004244
Geldig vanaf 1988-02-01
Artikel 22
Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten
1. De leden van het openbaar ministerie doen, door tussenkomst van het College van procureurs-generaal, mededeling van de te hunner kennis gekomen gegevens, die zij voor een dienst van belang achten, aan die dienst.
2. De ambtenaren van politie, van de grensbewaking en van de Koninklijke marechaussee doen mededeling van de te hunner kennis gekomen gegevens, die zij voor een dienst van belang achten, aan hun korpschef, onderscheidenlijk aan de in artikel 18, eerste lid, bedoelde ambtenaar. Deze zendt de gegevens, indien hij dat van belang acht, aan die dienst.
3. Steeds wanneer de vervulling van de taak van het openbaar ministerie en van een dienst daartoe aanleiding geeft, plegen een lid van het College van procureurs-generaal en het hoofd van de betrokken dienst overleg.
2. De ambtenaren van politie, van de grensbewaking en van de Koninklijke marechaussee doen mededeling van de te hunner kennis gekomen gegevens, die zij voor een dienst van belang achten, aan hun korpschef, onderscheidenlijk aan de in artikel 18, eerste lid, bedoelde ambtenaar. Deze zendt de gegevens, indien hij dat van belang acht, aan die dienst.
3. Steeds wanneer de vervulling van de taak van het openbaar ministerie en van een dienst daartoe aanleiding geeft, plegen een lid van het College van procureurs-generaal en het hoofd van de betrokken dienst overleg.