BWBR0004447
Geldig vanaf 2012-01-01
Artikel 10
Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie
1. Indien is gehandeld in strijd met artikel 2kan de kinderrechter een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwetbelasten met de voorlopige voogdij over de minderjarige, tenzij dit niet verenigbaar is met het belang van de minderjarige. In geval van voorlopige voogdij wendt de raad voor de kinderbescherming zich binnen zes weken tot de rechter ten einde een voorziening in het gezag over de minderjarige te verkrijgen. Artikel 241, vierde en vijfde lidalsmede artikel 306a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboekzijn van overeenkomstige toepassing. Artikel 813, tweede lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvorderingis van overeenkomstige toepassing.
2. De voorlopige voogdij eindigt, behoudens eerdere intrekking, op het tijdstip waarop hetzij de voogdij over de minderjarige, dan wel diens verblijf bij aspirant-adoptiefouders aan wie een beginseltoestemming is verleend, een aanvang neemt, hetzij de minderjarige in het land van herkomst wordt teruggeplaatst.
3. De kosten die de stichting ten behoeve van de minderjarige moet maken, komen ten laste van degene die de minderjarige in strijd met artikel 2heeft opgenomen. De artikelen 8.2.1 tot en met 8.2.7 van de Jeugdwetzijn van overeenkomstige toepassing.
2. De voorlopige voogdij eindigt, behoudens eerdere intrekking, op het tijdstip waarop hetzij de voogdij over de minderjarige, dan wel diens verblijf bij aspirant-adoptiefouders aan wie een beginseltoestemming is verleend, een aanvang neemt, hetzij de minderjarige in het land van herkomst wordt teruggeplaatst.
3. De kosten die de stichting ten behoeve van de minderjarige moet maken, komen ten laste van degene die de minderjarige in strijd met artikel 2heeft opgenomen. De artikelen 8.2.1 tot en met 8.2.7 van de Jeugdwetzijn van overeenkomstige toepassing.