BWBR0004826
Geldig vanaf 2018-01-01
Artikel 56
Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW)
1. Verkeersregelaars worden aangesteld door:
a. Onze Minister, indien het gaat om 1°. transportbegeleiders, of
2°. verkeersregelaars met in het kader van het beroep verkeersregelende taken, voor zover deze taken in meerdere provincies op het grondgebied van meerdere niet aangrenzende gemeenten worden uitgevoerd.
1°. transportbegeleiders, of
2°. verkeersregelaars met in het kader van het beroep verkeersregelende taken, voor zover deze taken in meerdere provincies op het grondgebied van meerdere niet aangrenzende gemeenten worden uitgevoerd.
b. de burgemeester van de gemeente waar de werkzaamheden worden verricht, in de overige gevallen.
2. Verkeersregelaars met in het kader van het beroep verkeersregelende taken worden uitsluitend als zodanig aangesteld indien deze taken naar het oordeel van het tot aanstelling bevoegd gezag:
a. als hun hoofdwerkzaamheden worden beschouwd, of
b. geacht worden nauw verband te houden met de uitoefening van hun hoofdwerkzaamheden.
3. Het in het eerste lid genoemde bestuursorgaan kan de door hem afgegeven aanstelling in de bij ministeriële regeling aangegeven gevallen intrekken.
4. Verkeersbrigadiers als bedoeld in artikel 82, derde lid, van het RVV 1990, worden aangesteld door de burgemeester.
a. Onze Minister, indien het gaat om 1°. transportbegeleiders, of
2°. verkeersregelaars met in het kader van het beroep verkeersregelende taken, voor zover deze taken in meerdere provincies op het grondgebied van meerdere niet aangrenzende gemeenten worden uitgevoerd.
1°. transportbegeleiders, of
2°. verkeersregelaars met in het kader van het beroep verkeersregelende taken, voor zover deze taken in meerdere provincies op het grondgebied van meerdere niet aangrenzende gemeenten worden uitgevoerd.
b. de burgemeester van de gemeente waar de werkzaamheden worden verricht, in de overige gevallen.
2. Verkeersregelaars met in het kader van het beroep verkeersregelende taken worden uitsluitend als zodanig aangesteld indien deze taken naar het oordeel van het tot aanstelling bevoegd gezag:
a. als hun hoofdwerkzaamheden worden beschouwd, of
b. geacht worden nauw verband te houden met de uitoefening van hun hoofdwerkzaamheden.
3. Het in het eerste lid genoemde bestuursorgaan kan de door hem afgegeven aanstelling in de bij ministeriële regeling aangegeven gevallen intrekken.
4. Verkeersbrigadiers als bedoeld in artikel 82, derde lid, van het RVV 1990, worden aangesteld door de burgemeester.