BWBR0004884
Geldig vanaf 04-01-1991
Artikel 2
Zuivelverordening 1990, Gebruik caseïne en caseïnaten in kaas
1. Met inachtneming van het gestelde bij of krachtens Verordening (EEG) nr. 2204/90 van de Raad, tot vaststelling van aanvullende algemene voorschriften van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten ten aanzien van kaas (Pb. EG. 31 juli 1990, nr. L 201) verleent de voorzitter op verzoek van belanghebbenden toestemming voor het gebruik van caseïne en caseïnaten bij de bereiding van kaas.
2. Een toestemming als bedoeld in lid 1 wordt slechts verleend voor een periode van twaalf maanden op voorwaarde dat de belanghebbende zich vooraf schriftelijk verbindt de in artikel 3, lid 1, punten a) en b) van Verordening (EEG) nr. 2204/90, bedoelde verplichtingen in acht te nemen en zich aan de in artikel 3, lid 1, punt c) van genoemde verordening bedoelde controles te onderwerpen.
3. De voorzitter is bevoegd met inachtneming van het gestelde bij of krachtens Verordening (EEG) nr. 2204/90 aan een toestemming als bedoeld in lid 1 voorwaarden en beperkingen te verbinden.
4. Degene aan wie een toestemming als bedoeld in lid 1 is verleend is verplicht de daaraan verbonden voorwaarden, alsmede de bepalingen van de in lid 2 bedoelde verbintenis na te komen.
5. De toestemming bedoeld in lid 1 kan door de voorzitter worden ingetrokken, indien een aan de toestemming als bedoeld in lid 1 verbonden voorwaarde niet wordt nagekomen.
2. Een toestemming als bedoeld in lid 1 wordt slechts verleend voor een periode van twaalf maanden op voorwaarde dat de belanghebbende zich vooraf schriftelijk verbindt de in artikel 3, lid 1, punten a) en b) van Verordening (EEG) nr. 2204/90, bedoelde verplichtingen in acht te nemen en zich aan de in artikel 3, lid 1, punt c) van genoemde verordening bedoelde controles te onderwerpen.
3. De voorzitter is bevoegd met inachtneming van het gestelde bij of krachtens Verordening (EEG) nr. 2204/90 aan een toestemming als bedoeld in lid 1 voorwaarden en beperkingen te verbinden.
4. Degene aan wie een toestemming als bedoeld in lid 1 is verleend is verplicht de daaraan verbonden voorwaarden, alsmede de bepalingen van de in lid 2 bedoelde verbintenis na te komen.
5. De toestemming bedoeld in lid 1 kan door de voorzitter worden ingetrokken, indien een aan de toestemming als bedoeld in lid 1 verbonden voorwaarde niet wordt nagekomen.
- Citeren als
- Art. 2
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0004884
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl