Uitleg Artikel 285 BW Boek 3: Voorrecht voor aannemers
Dit artikel gaat over een voorrecht (een soort "voorrang") dat een aannemer heeft op een zaak (bijvoorbeeld een gebouw of een product) waar hij aan werkt. Dit voorrecht betekent dat de aannemer als eerste betaald wordt als er geld vrijkomt uit de verkoop van die zaak, bijvoorbeeld bij een faillissement van de klant.
Het voorrecht geldt alleen als:
- De aannemer zelf meewerkt aan het werk (bijv. als zzp’er of ambachtsman).
- OF de aannemer een bedrijf of vennootschap is waarbij een of meer eigenaren (zoals een directeur) ook daadwerkelijk meewerken.
- Het voorrecht vervalt na 2 jaar vanaf het moment dat de aannemer zijn geld nog niet heeft gekregen.
Voorrang boven een pandrecht
Stel, een aannemer heeft een voorrecht op een huis waar hij aan werkt. Als de eigenaar van het huis ook een lening heeft afgesloten met een pandrecht op datzelfde huis (bijv. voor een hypotheek), dan heeft de aannemer voorrang op de opbrengst van de verkoop van dat huis. Maar: als de pandhouder (bijv. de bank) het pand al in bezit heeft (bijv. omdat de eigenaar niet meer betaalt), dan vervalt het voorrecht van de aannemer.
Voorbeeld:
Een timmerman bouwt een schuur voor een klant. De klant betaalt niet. De timmerman kan de schuur verkopen om zijn geld te krijgen. Als de bank echter een hypotheek heeft op de schuur en de schuur al in bezit heeft genomen, dan krijgt de timmerman zijn geld pas na de bank.
Deze uitleg is vereenvoudigd en geen juridisch advies. Raadpleeg altijd de originele wettekst hierboven.