BWBR0006038
Geldig vanaf 1993-07-14
Artikel 10a
Bezoldigingsbesluit burgerlijke ambtenaren defensie
1. Bij de ambtenaar die ingevolge artikel 109, eerste lid, dan wel ingevolge artikel 109, tweede lid, onderdeel a of b, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensieis geschorst, wordt voor de duur van die schorsing eenderde gedeelte ingehouden van de bezoldiging, tenzij het bevoegde gezag bepaalt dat geen inhouding zal plaatsvinden.
2. In geval een schorsing als bedoeld in het eerste lid, langer duurt dan zes weken, kan het bevoegde gezag bepalen dat gedurende die verdere duur van die schorsing een verdere inhouding plaatsvindt tot het volle bedrag der bezoldiging. Bij de afweging omtrent de hoogte van de inhouding wordt de financiële positie van de ambtenaar in de beschouwing betrokken.
3. Bij de ambtenaar die ingevolge artikel 109, tweede lid, onderdeel c, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensieis geschorst, vindt geen inhouding van bezoldiging plaats.
4. De ingehouden bezoldiging kan alsnog geheel of gedeeltelijk aan de ambtenaar worden uitbetaald, indien een schorsing als bedoeld in artikel 109, tweede lid, onderdeel a of b, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensieniet wordt gevolgd door een veroordeling tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, een vrijheidsbenemende maatregel, ontslag op grond van artikel 121, eerste lid, onderdeel e, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensieof een onvoorwaardelijk ontslag bij wijze van straf. Op de aldus uit te keren bezoldiging worden in mindering gebracht de inkomsten, welke de ambtenaar sedert de schorsing heeft genoten uit arbeid, die hij als gevolg van de schorsing heeft kunnen verrichten, tenzij zulks, naar het oordeel van het bevoegde gezag, onredelijk of onbillijk is.
5. In geval van schorsing tijdens ziekte van de ambtenaar wordt onder bezoldiging verstaan, hetgeen daaronder wordt verstaan voor de toepassing van het hoofdstuk 6 van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie.
2. In geval een schorsing als bedoeld in het eerste lid, langer duurt dan zes weken, kan het bevoegde gezag bepalen dat gedurende die verdere duur van die schorsing een verdere inhouding plaatsvindt tot het volle bedrag der bezoldiging. Bij de afweging omtrent de hoogte van de inhouding wordt de financiële positie van de ambtenaar in de beschouwing betrokken.
3. Bij de ambtenaar die ingevolge artikel 109, tweede lid, onderdeel c, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensieis geschorst, vindt geen inhouding van bezoldiging plaats.
4. De ingehouden bezoldiging kan alsnog geheel of gedeeltelijk aan de ambtenaar worden uitbetaald, indien een schorsing als bedoeld in artikel 109, tweede lid, onderdeel a of b, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensieniet wordt gevolgd door een veroordeling tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, een vrijheidsbenemende maatregel, ontslag op grond van artikel 121, eerste lid, onderdeel e, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensieof een onvoorwaardelijk ontslag bij wijze van straf. Op de aldus uit te keren bezoldiging worden in mindering gebracht de inkomsten, welke de ambtenaar sedert de schorsing heeft genoten uit arbeid, die hij als gevolg van de schorsing heeft kunnen verrichten, tenzij zulks, naar het oordeel van het bevoegde gezag, onredelijk of onbillijk is.
5. In geval van schorsing tijdens ziekte van de ambtenaar wordt onder bezoldiging verstaan, hetgeen daaronder wordt verstaan voor de toepassing van het hoofdstuk 6 van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie.