BWBR0006294
Geldig vanaf 2001-02-07
Artikel 10
Besluit produktie en handel vers vlees
1. In afwijking van artikel 9kan Onze Minister slachthuizen erkennen die niet voldoen aan de hoofdstukken Ien IIvan bijlage Ivan dit besluit, indien:
a. het slachthuis, 1. niet meer behandelt dan 20 GVE per week met een maximum van 1000 GVE per jaar;
2. voldoet aan de voorschriften van bijlage I, hoofdstukken V en VII, hoofdstuk XIII, punt 65, eerste, tweede en vierde volzin, en punt 66 en hoofdstuk XIV, punt 68, met uitzondering van de voorschriften voor ingevoerd vers vlees, en de punten 70, 71 en 72;
3. voldoet aan de voorwaarden van bijlage II;
4. de keuringsdierenarts op de hoogte brengt van het tijdstip van slachten, het aantal dieren en de herkomst ervan, zodat deze, hetzij op het landbouwbedrijf, hetzij in het slachthuis, overeenkomstig bijlage I, hoofdstuk VI, vóór het slachten een keuring kan uitvoeren;
1. niet meer behandelt dan 20 GVE per week met een maximum van 1000 GVE per jaar;
2. voldoet aan de voorschriften van bijlage I, hoofdstukken V en VII, hoofdstuk XIII, punt 65, eerste, tweede en vierde volzin, en punt 66 en hoofdstuk XIV, punt 68, met uitzondering van de voorschriften voor ingevoerd vers vlees, en de punten 70, 71 en 72;
3. voldoet aan de voorwaarden van bijlage II;
4. de keuringsdierenarts op de hoogte brengt van het tijdstip van slachten, het aantal dieren en de herkomst ervan, zodat deze, hetzij op het landbouwbedrijf, hetzij in het slachthuis, overeenkomstig bijlage I, hoofdstuk VI, vóór het slachten een keuring kan uitvoeren;
b. de exploitant van het slachthuis, de eigenaar of diens vertegenwoordiger een register bijhoudt van: – de inkomende dieren en de uitgaande slachtprodukten;
– de uitgevoerde keuringen; en
– de resultaten van de keuringen; deze gegevens worden desgevraagd aan de keuringsdierenarts medegedeeld; en
– de inkomende dieren en de uitgaande slachtprodukten;
– de uitgevoerde keuringen; en
– de resultaten van de keuringen;
c. het vlees na het slachten overeenkomstig bijlage I, hoofdstuk VIII, met inachtneming van bijlage I, hoofdstuk VII, punt 32, door de keuringsdierenarts of de keurmeester wordt gekeurd; als het vlees laesies of afwijkingen vertoont, wordt de keuring na het slachten uitgevoerd door de keuringsdierenarts; de keuringsdierenarts of de keurmeester controleert regelmatig of de in bijlage I, hoofdstukken V en VII bedoelde hygiënevoorschriften worden nageleefd.
2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, onder i, kan Onze Minister slachthuizen erkennen waar in de loop van een werkweek met duidelijk onderscheiden tussenpozen verschillende ondernemers voor eigen rekening slachten en waar na cumulatie van de individuele slachthoeveelheden ten hoogste 30 GVE per week en 1500 GVE per jaar worden geslacht, mits aan de onderstaande voorwaarden is voldaan:
a. de eigenaar van de inrichting op het gebied van de hygiënische produktie een door de hoofdinspecteur erkende bijzondere opleiding heeft gevolgd;
b. de voor de slacht bestemde dieren behoren toe aan de eigenaar van de inrichting of aan een zelfstandige slager of zijn door deze laatsten gekocht om aan de behoeften bedoeld in onderdeel d, te voldoen;
c. de vleesproduktie geschiedt in lokalen die voldoen aan de voorschriften van bijlage II;
d. de vleesproduktie is bestemd voor de bevoorrading van de inrichtingen die toebehoren aan de in onderdeel b bedoelde slagers en voor de verkoop ter plaatse aan de consument.
3. Tevens kan Onze Minister in afwijking van het eerste lid, onderdeel a, onder i, toestaan dat met inachtneming van het maximum van 1000 GVE per jaar, wordt afgeweken van het wekelijkse maximum om rekening te houden met religieuze feesten mits de keuringsdierenarts bij het slachten aanwezig is en het vlees van de geslachte dieren niet wordt ingevroren alvorens het in de handel te brengen.
a. het slachthuis, 1. niet meer behandelt dan 20 GVE per week met een maximum van 1000 GVE per jaar;
2. voldoet aan de voorschriften van bijlage I, hoofdstukken V en VII, hoofdstuk XIII, punt 65, eerste, tweede en vierde volzin, en punt 66 en hoofdstuk XIV, punt 68, met uitzondering van de voorschriften voor ingevoerd vers vlees, en de punten 70, 71 en 72;
3. voldoet aan de voorwaarden van bijlage II;
4. de keuringsdierenarts op de hoogte brengt van het tijdstip van slachten, het aantal dieren en de herkomst ervan, zodat deze, hetzij op het landbouwbedrijf, hetzij in het slachthuis, overeenkomstig bijlage I, hoofdstuk VI, vóór het slachten een keuring kan uitvoeren;
1. niet meer behandelt dan 20 GVE per week met een maximum van 1000 GVE per jaar;
2. voldoet aan de voorschriften van bijlage I, hoofdstukken V en VII, hoofdstuk XIII, punt 65, eerste, tweede en vierde volzin, en punt 66 en hoofdstuk XIV, punt 68, met uitzondering van de voorschriften voor ingevoerd vers vlees, en de punten 70, 71 en 72;
3. voldoet aan de voorwaarden van bijlage II;
4. de keuringsdierenarts op de hoogte brengt van het tijdstip van slachten, het aantal dieren en de herkomst ervan, zodat deze, hetzij op het landbouwbedrijf, hetzij in het slachthuis, overeenkomstig bijlage I, hoofdstuk VI, vóór het slachten een keuring kan uitvoeren;
b. de exploitant van het slachthuis, de eigenaar of diens vertegenwoordiger een register bijhoudt van: – de inkomende dieren en de uitgaande slachtprodukten;
– de uitgevoerde keuringen; en
– de resultaten van de keuringen; deze gegevens worden desgevraagd aan de keuringsdierenarts medegedeeld; en
– de inkomende dieren en de uitgaande slachtprodukten;
– de uitgevoerde keuringen; en
– de resultaten van de keuringen;
c. het vlees na het slachten overeenkomstig bijlage I, hoofdstuk VIII, met inachtneming van bijlage I, hoofdstuk VII, punt 32, door de keuringsdierenarts of de keurmeester wordt gekeurd; als het vlees laesies of afwijkingen vertoont, wordt de keuring na het slachten uitgevoerd door de keuringsdierenarts; de keuringsdierenarts of de keurmeester controleert regelmatig of de in bijlage I, hoofdstukken V en VII bedoelde hygiënevoorschriften worden nageleefd.
2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, onder i, kan Onze Minister slachthuizen erkennen waar in de loop van een werkweek met duidelijk onderscheiden tussenpozen verschillende ondernemers voor eigen rekening slachten en waar na cumulatie van de individuele slachthoeveelheden ten hoogste 30 GVE per week en 1500 GVE per jaar worden geslacht, mits aan de onderstaande voorwaarden is voldaan:
a. de eigenaar van de inrichting op het gebied van de hygiënische produktie een door de hoofdinspecteur erkende bijzondere opleiding heeft gevolgd;
b. de voor de slacht bestemde dieren behoren toe aan de eigenaar van de inrichting of aan een zelfstandige slager of zijn door deze laatsten gekocht om aan de behoeften bedoeld in onderdeel d, te voldoen;
c. de vleesproduktie geschiedt in lokalen die voldoen aan de voorschriften van bijlage II;
d. de vleesproduktie is bestemd voor de bevoorrading van de inrichtingen die toebehoren aan de in onderdeel b bedoelde slagers en voor de verkoop ter plaatse aan de consument.
3. Tevens kan Onze Minister in afwijking van het eerste lid, onderdeel a, onder i, toestaan dat met inachtneming van het maximum van 1000 GVE per jaar, wordt afgeweken van het wekelijkse maximum om rekening te houden met religieuze feesten mits de keuringsdierenarts bij het slachten aanwezig is en het vlees van de geslachte dieren niet wordt ingevroren alvorens het in de handel te brengen.