BWBR0006612
Geldig vanaf 1994-04-29
Artikel 9
Wet Incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees Parlement
1. Degenen die ingevolge de wet van 17 juli 1923 ( Stb.364), additioneel artikel XVII van de Grondwetof artikel 3 van de Wet Incompatibiliteiten Europees Parlement ( Stb.1978, 653) op non-activiteit zijn gesteld, blijven gedurende hun lidmaatschap van de kamer der Staten-Generaal waarin zij zijn gekozen, onderscheidenlijk van het Europees Parlement, op non-activiteit, doch uiterlijk tot het einde van de zittingsduur van de kamer waarin zij zijn gekozen, onderscheidenlijk van het Europees Parlement.
2. Zij behouden gedurende die periode de aanspraken, omschreven in de artikelen 4 en 6 van de wet van 17 juli 1923. Gedurende die periode blijft artikel 5 van de wet van 17 juli 1923 voor de leden van de Tweede Kamer, onderscheidenlijk van het Europees Parlement van toepassing.
3. Degenen die uiterlijk op het in het eerste lid bedoelde tijdstip hun lidmaatschap beëindigen behouden de aanspraken, omschreven in artikel 7 van de wet van 17 juli 1923.
4. Degenen die bij inwerkingtreding van deze wet reeds aanspraken hebben als omschreven in artikel 7 van de wet van 17 juli 1923 behouden die aanspraken.
2. Zij behouden gedurende die periode de aanspraken, omschreven in de artikelen 4 en 6 van de wet van 17 juli 1923. Gedurende die periode blijft artikel 5 van de wet van 17 juli 1923 voor de leden van de Tweede Kamer, onderscheidenlijk van het Europees Parlement van toepassing.
3. Degenen die uiterlijk op het in het eerste lid bedoelde tijdstip hun lidmaatschap beëindigen behouden de aanspraken, omschreven in artikel 7 van de wet van 17 juli 1923.
4. Degenen die bij inwerkingtreding van deze wet reeds aanspraken hebben als omschreven in artikel 7 van de wet van 17 juli 1923 behouden die aanspraken.