1. Met ingang van de overgangsdatum, verkrijgt een personeelslid met wie een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 4, eerste lid, tot stand is gekomen, ter zake van de ouderdoms- en nabestaandenpensioenvoorziening aanspraken jegens een door de Stichting CAOP aan te wijzen instelling als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onder b, dan wel c, van de Pensioen- en spaarfondsenwet, die gelijkwaardig zijn aan die welke het personeelslid op de laatste dag van de kalendermaand voorafgaand aan de overgangsdatum heeft jegens het Algemeen burgerlijk pensioenfonds krachtens de Algemene burgerlijke pensioenwet en neemt de aangewezen instelling de daarmee verband houdende verplichtingen op zich.
2. De in het eerste lid bedoelde instelling wordt door de Stichting CAOP op de overgangsdatum aangewezen.
3. De aanspraken ter zake van ouderdom en overlijden die een personeelslid als bedoeld in het eerste lid toekomen krachtens de Algemene burgerlijke pensioenwet en de daaruit voortvloeiende verplichtingen van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds jegens dit personeelslid vervallen op de overgangsdatum.
4. Het derde lid is niet van toepassing op aanspraken die door een personeelslid voor de overgangsdatum geldend zijn gemaakt of geldend hadden kunnen worden gemaakt.
5. Het eerste, derde en vierde lid is van overeenkomstige toepassing op het personeelslid dat op grond van artikel 4, zevende tot en met het tiende lid, na de overgangsdatum overgaat in dienst bij de Stichting CAOP, met dien verstande dat bedoelde aanspraken ontstaan onderscheidenlijk vervallen op de dag waarop dit personeelslid in dienst treedt bij de Stichting CAOP.
6. Het bestuur van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds draagt aan de in het eerste en tweede lid bedoelde instelling een deel van het vermogen van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds over. Een deel van de overdrachtssom wordt bepaald op grond van de aanspraken op ouderdomspensioen die krachtens de Algemeen burgerlijke pensioenwet ten behoeve van een personeelslid zijn opgebouwd tot en met de dag voorafgaande aan de datum van een indiensttreding bij de Stichting CAOP. Het andere deel van de totale overdrachtssom bestaat uit een aan bedoelde aanspraken evenredig aandeel in de voorziening voor nabestaandenpensioenen en in de algemene reserve, een en ander volgens een door het Algemeen burgerlijk pensioenfonds op te stellen opgebouwde-aanspraken-balans. Het over te dragen vermogen heeft eenzelfde rendementspotentieel als het bij het Algemeen burgerlijk pensioenfonds achterblijvende vermogen.
7. In afwijking van het zesde lid bedraagt het deel van de overdrachtssom dat betrekking heeft op een personeelslid dat voorafgaand aan de datum van indiensttreding wegens ziekte of gebreken ongeschikt is verklaard voor een eerder door hem vervulde functie, een percentage van het overeenkomstig het zesde lid ten aanzien van dat personeelslid berekende bedrag dat gelijk is aan het percentage van zijn resterende arbeidsgeschiktheid.
8. Ter bepaling van de financiële gevolgen voor het Algemeen burgerlijk pensioenfonds van het vervallen van de verplichtingen jegens het uitgetreden personeelslid krachtens het derde lid en van de waardeoverdracht krachtens het zesde lid, maakt het Algemeen burgerlijk pensioenfonds een berekening van de waardeoverdracht indien deze gebaseerd zou zijn op de methode lasten-min-baten. Hiertoe wordt voor de datum van indiensttreding een evenwichtige lasten- en batenbalans opgesteld voor dit personeelslid. Als basisbijdragepercentage wordt op deze balans het percentage aangehouden dat in de toekomst nodig is om de nog op te bouwen rechten van gerechtigden op pensioen ingevolge de Algemene burgerlijke pensioenwet juist te dekken zonder rekening te houden met toekomstige inflatie. Als inhaalbijdragepercentage wordt het percentage gebruikt dat nodig is om de lasten- en batenbalans van het fonds in evenwicht te brengen.
9. Het verschil tussen de waardeoverdracht krachtens het zesde lid en de lasten-min-batenuitkomst krachtens het achtste lid wordt verrekend tussen het Algemeen burgerlijk pensioenfonds en Onze Minister.