BWBR0006921
Geldig vanaf 1994-11-02
Artikel 4
Wet Stichting CAOP
1. Ieder personeelslid ten aanzien van wie Onze Minister niet anders heeft beslist, gaat over in dienst van de Stichting CAOP op een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, ingaande de overgangsdatum.
2. De arbeidsovereenkomst geldt voor onbepaalde tijd, tenzij het personeelslid was aangesteld in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd of werkzaam was op arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. In laatstgenoemde gevallen geldt de arbeidsovereenkomst voor de niet verstreken tijd van de aanstelling voor bepaalde tijd dan wel van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd.
3. De arbeidsovereenkomst betreft een functie die zoveel mogelijk overeenkomt met de functie die het personeelslid laatstelijk vervulde in dienst van het Centrum voor Arbeidsverhoudingen Overheidspersoneel van het Ministerie van Binnenlandse Zaken.
4. De arbeidsvoorwaarden in het geheel zullen niet ongunstiger zijn dan die welke voor het personeelslid golden uit hoofde van zijn dienstverband bij het Centrum voor Arbeidsverhoudingen Overheidspersoneel van het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Onze Minister stelt nadere regels ter zake.
5. Binnen zes weken na het in werking treden van deze wet kan het personeelslid Onze Minister mededelen dat hij bezwaren heeft tegen de overgang in dienst bij de Stichting CAOP. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over het onderzoek van de bezwaren. Onze Minister beslist op de bezwaren.
6. Indien Onze Minister voor de overgangsdatum de bezwaren geheel of gedeeltelijk gegrond verklaart kan hij, in afwijking van het eerste lid beslissen dat het personeelslid niet overgaat in dienst van de Stichting CAOP, dan wel het personeelslid een arbeidsovereenkomst met de Stichting CAOP aanbieden waarvan de inhoud in overeenstemming is met zijn beslissing op de bezwaren.
7. Indien Onze Minister voor de overgangsdatum niet heeft beslist op de bezwaren van het personeelslid, als bedoeld in het vijfde en zesde lid, komt in afwijking van het eerste lid, op de overgangsdatum met hem geen arbeidsovereenkomst tot stand.
8. Indien het personeelslid op of na de overgangsdatum de bezwaren intrekt of indien Onze Minister op of na de overgangsdatum de bezwaren ongegrond verklaart, komt een arbeidsovereenkomst tot stand op de eerste dag van de volgende maand.
9. In afwijking van het achtste lid komt geen arbeidsovereenkomst tot stand met het personeelslid dat binnen een week na de beslissing van Onze Minister op de bezwaren kenbaar maakt dat de totstandkoming van een arbeidsovereenkomst met de Stichting CAOP tegen zijn wil is. Indien deze verklaring geschiedt na de datum waarop het personeelslid op grond van het achtste lid reeds in dienst is getreden bij de Stichting CAOP, wordt de arbeidsovereenkomst met terugwerkende kracht ontbonden. Het in dit lid bedoelde personeelslid wordt eervol ontslag verleend met inachtneming van een opzeggingstermijn van drie maanden.
10. Indien Onze Minister op of na de overgangsdatum de bezwaren geheel of gedeeltelijk gegrond verklaart, kan hij beslissen dat het personeelslid niet overgaat in dienst van de Stichting CAOP, dan wel de Stichting CAOP verplichten het personeelslid een arbeidsovereenkomst aan te bieden, waarvan de inhoud in overeenstemming is met zijn beslissing. In het laatst bedoelde geval komt een arbeidsovereenkomst tot stand op de eerste dag van de volgende maand.
11. Door het tot stand komen van een arbeidsovereenkomst met de Stichting CAOP is het personeelslid van rechtswege eervol ontslagen uit de rijksdienst.
12. Het personeelslid dat in verband met de behandeling van zijn bezwaren na de overgangsdatum bij de Stichting CAOP in dienst treedt, zal zoveel mogelijk in de positie worden gebracht die hij zou hebben gehad indien hij op de overgangsdatum zou zijn overgegaan in dienst van de Stichting CAOP.
2. De arbeidsovereenkomst geldt voor onbepaalde tijd, tenzij het personeelslid was aangesteld in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd of werkzaam was op arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. In laatstgenoemde gevallen geldt de arbeidsovereenkomst voor de niet verstreken tijd van de aanstelling voor bepaalde tijd dan wel van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd.
3. De arbeidsovereenkomst betreft een functie die zoveel mogelijk overeenkomt met de functie die het personeelslid laatstelijk vervulde in dienst van het Centrum voor Arbeidsverhoudingen Overheidspersoneel van het Ministerie van Binnenlandse Zaken.
4. De arbeidsvoorwaarden in het geheel zullen niet ongunstiger zijn dan die welke voor het personeelslid golden uit hoofde van zijn dienstverband bij het Centrum voor Arbeidsverhoudingen Overheidspersoneel van het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Onze Minister stelt nadere regels ter zake.
5. Binnen zes weken na het in werking treden van deze wet kan het personeelslid Onze Minister mededelen dat hij bezwaren heeft tegen de overgang in dienst bij de Stichting CAOP. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over het onderzoek van de bezwaren. Onze Minister beslist op de bezwaren.
6. Indien Onze Minister voor de overgangsdatum de bezwaren geheel of gedeeltelijk gegrond verklaart kan hij, in afwijking van het eerste lid beslissen dat het personeelslid niet overgaat in dienst van de Stichting CAOP, dan wel het personeelslid een arbeidsovereenkomst met de Stichting CAOP aanbieden waarvan de inhoud in overeenstemming is met zijn beslissing op de bezwaren.
7. Indien Onze Minister voor de overgangsdatum niet heeft beslist op de bezwaren van het personeelslid, als bedoeld in het vijfde en zesde lid, komt in afwijking van het eerste lid, op de overgangsdatum met hem geen arbeidsovereenkomst tot stand.
8. Indien het personeelslid op of na de overgangsdatum de bezwaren intrekt of indien Onze Minister op of na de overgangsdatum de bezwaren ongegrond verklaart, komt een arbeidsovereenkomst tot stand op de eerste dag van de volgende maand.
9. In afwijking van het achtste lid komt geen arbeidsovereenkomst tot stand met het personeelslid dat binnen een week na de beslissing van Onze Minister op de bezwaren kenbaar maakt dat de totstandkoming van een arbeidsovereenkomst met de Stichting CAOP tegen zijn wil is. Indien deze verklaring geschiedt na de datum waarop het personeelslid op grond van het achtste lid reeds in dienst is getreden bij de Stichting CAOP, wordt de arbeidsovereenkomst met terugwerkende kracht ontbonden. Het in dit lid bedoelde personeelslid wordt eervol ontslag verleend met inachtneming van een opzeggingstermijn van drie maanden.
10. Indien Onze Minister op of na de overgangsdatum de bezwaren geheel of gedeeltelijk gegrond verklaart, kan hij beslissen dat het personeelslid niet overgaat in dienst van de Stichting CAOP, dan wel de Stichting CAOP verplichten het personeelslid een arbeidsovereenkomst aan te bieden, waarvan de inhoud in overeenstemming is met zijn beslissing. In het laatst bedoelde geval komt een arbeidsovereenkomst tot stand op de eerste dag van de volgende maand.
11. Door het tot stand komen van een arbeidsovereenkomst met de Stichting CAOP is het personeelslid van rechtswege eervol ontslagen uit de rijksdienst.
12. Het personeelslid dat in verband met de behandeling van zijn bezwaren na de overgangsdatum bij de Stichting CAOP in dienst treedt, zal zoveel mogelijk in de positie worden gebracht die hij zou hebben gehad indien hij op de overgangsdatum zou zijn overgegaan in dienst van de Stichting CAOP.