BWBR0007657
Geldig vanaf 2003-01-30
Artikel 29
Wet toezicht effectenverkeer 1995
1. Onze Minister kan bij:
a. vervallen;
b. vervallen;
c. vervallen;
d. vervallen;
e. vervallen;
f. vervallen;
g. vervallen;
h. vervallen;
i. vervallen;
j. vervallen;
k. vervallen;
l. vervallen;
m. vervallen;
n. vervallen.
o. aanvragers van een ontheffing als bedoeld in artikel 25, eerste lid;
p. vervallen;
q. vervallen;
2. Degene van wie de inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, worden verlangd, verstrekt deze binnen de door Onze Minister te stellen termijn.
3. Ten aanzien van de personen die door Onze Minister zijn belast met het inwinnen van inlichtingen of met de uitoefening van andere taken en bevoegdheden die Onze Minister heeft op grond van het bij of krachtens deze wet bepaalde, zijn de artikelen 5:12, 5:13, 5:15, 5:16, 5:17en 5:20, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrechtvan overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat indien een onderzoek als bedoeld in artikel 36, eerste lid, wordt ingesteld, degene bij wie het onderzoek wordt ingesteld en die niet ingevolge deze wet onder toezicht staat, slechts is gehouden tot het verlenen van inzage in zakelijke gegevens en bescheiden.
4. Onze Minister is bevoegd tot overeenkomstige toepassing van artikel 5:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrechtten aanzien van de in het derde lid bedoelde personen.
a. vervallen;
b. vervallen;
c. vervallen;
d. vervallen;
e. vervallen;
f. vervallen;
g. vervallen;
h. vervallen;
i. vervallen;
j. vervallen;
k. vervallen;
l. vervallen;
m. vervallen;
n. vervallen.
o. aanvragers van een ontheffing als bedoeld in artikel 25, eerste lid;
p. vervallen;
q. vervallen;
2. Degene van wie de inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, worden verlangd, verstrekt deze binnen de door Onze Minister te stellen termijn.
3. Ten aanzien van de personen die door Onze Minister zijn belast met het inwinnen van inlichtingen of met de uitoefening van andere taken en bevoegdheden die Onze Minister heeft op grond van het bij of krachtens deze wet bepaalde, zijn de artikelen 5:12, 5:13, 5:15, 5:16, 5:17en 5:20, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrechtvan overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat indien een onderzoek als bedoeld in artikel 36, eerste lid, wordt ingesteld, degene bij wie het onderzoek wordt ingesteld en die niet ingevolge deze wet onder toezicht staat, slechts is gehouden tot het verlenen van inzage in zakelijke gegevens en bescheiden.
4. Onze Minister is bevoegd tot overeenkomstige toepassing van artikel 5:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrechtten aanzien van de in het derde lid bedoelde personen.