BWBR0007807
Geldig vanaf 1995-12-22
Artikel 29
Subsidieregeling welzijnsbeleid
1. De subsidie, bedoeld in artikel 28, bestaat uit € 383 per kind in een internaat of pleeggezin, verhoogd met de som van de bedragen die ontstaat door vermenigvuldiging van het aantal kinderen:
a. in een internaat, indien de exploitant: 1e. huurder is, met € 17.887;
2e. eigenaar is en in verband met een op of na 1 januari 2001 op het internaat gevestigde hypotheek rente- en aflossingskosten verschuldigd is, met € 16.688 vermeerderd met een toeslag van € 4.511 voor de rente- en aflossingskosten;
3e. eigenaar is, doch niet of niet langer rente- en aflossingskosten verschuldigd is in verband met een daarop gevestigde hypotheek, met € 16.688;
4e. eigenaar is, doch niet van de onroerende zaak waarop het internaat is gebouwd, met € 16.783;
1e. huurder is, met € 17.887;
2e. eigenaar is en in verband met een op of na 1 januari 2001 op het internaat gevestigde hypotheek rente- en aflossingskosten verschuldigd is, met € 16.688 vermeerderd met een toeslag van € 4.511 voor de rente- en aflossingskosten;
3e. eigenaar is, doch niet of niet langer rente- en aflossingskosten verschuldigd is in verband met een daarop gevestigde hypotheek, met € 16.688;
4e. eigenaar is, doch niet van de onroerende zaak waarop het internaat is gebouwd, met € 16.783;
b. in een pleeggezin met € 2.763.
2. Voor de toepassing van het eerste lid komen slechts in aanmerking kinderen die op 15 september van het jaar, voorafgaand aan het jaar waarvoor subsidie wordt verleend, door CENSIS in een internaat of pleeggezin werden gehuisvest, verzorgd en opgevoed.
3. Indien een kind wordt gehuisvest, verzorgd en opgevoed in een internaat als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 2e en dit internaat onderdeel uitmaakt van een in een meerjarig capaciteitsplan opgenomen nieuwbouwplan, wordt de toeslag met betrekking tot de rente- en aflossingskosten slechts verleend, indien dit capaciteitsplan door de minister is goedgekeurd.
4. Indien een internaat bestaat uit een samenstel van gebouwen en deze gebouwen onder meer dan één categorie vallen, zoals omschreven in het eerste lid, onderdeel a, wordt voor de toepassing van dit artikel uitgegaan van het gebouw waarin het kind overnacht.
a. in een internaat, indien de exploitant: 1e. huurder is, met € 17.887;
2e. eigenaar is en in verband met een op of na 1 januari 2001 op het internaat gevestigde hypotheek rente- en aflossingskosten verschuldigd is, met € 16.688 vermeerderd met een toeslag van € 4.511 voor de rente- en aflossingskosten;
3e. eigenaar is, doch niet of niet langer rente- en aflossingskosten verschuldigd is in verband met een daarop gevestigde hypotheek, met € 16.688;
4e. eigenaar is, doch niet van de onroerende zaak waarop het internaat is gebouwd, met € 16.783;
1e. huurder is, met € 17.887;
2e. eigenaar is en in verband met een op of na 1 januari 2001 op het internaat gevestigde hypotheek rente- en aflossingskosten verschuldigd is, met € 16.688 vermeerderd met een toeslag van € 4.511 voor de rente- en aflossingskosten;
3e. eigenaar is, doch niet of niet langer rente- en aflossingskosten verschuldigd is in verband met een daarop gevestigde hypotheek, met € 16.688;
4e. eigenaar is, doch niet van de onroerende zaak waarop het internaat is gebouwd, met € 16.783;
b. in een pleeggezin met € 2.763.
2. Voor de toepassing van het eerste lid komen slechts in aanmerking kinderen die op 15 september van het jaar, voorafgaand aan het jaar waarvoor subsidie wordt verleend, door CENSIS in een internaat of pleeggezin werden gehuisvest, verzorgd en opgevoed.
3. Indien een kind wordt gehuisvest, verzorgd en opgevoed in een internaat als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 2e en dit internaat onderdeel uitmaakt van een in een meerjarig capaciteitsplan opgenomen nieuwbouwplan, wordt de toeslag met betrekking tot de rente- en aflossingskosten slechts verleend, indien dit capaciteitsplan door de minister is goedgekeurd.
4. Indien een internaat bestaat uit een samenstel van gebouwen en deze gebouwen onder meer dan één categorie vallen, zoals omschreven in het eerste lid, onderdeel a, wordt voor de toepassing van dit artikel uitgegaan van het gebouw waarin het kind overnacht.