BWBR0007830
Geldig vanaf 01-05-1997
Artikel 5
Verordening op de praktijkuitoefening in dienstbetrekking
1. De advocaat die de praktijk in dienstbetrekking uitoefent, het voornemen heeft kenbaar gemaakt zulks te doen of als werkgever doet uitoefenen is verplicht desgevraagd de terzake door de Raad van Toezicht gewenste inlichtingen te verstrekken.
2. De advocaat die voornemens is de praktijk in dienstbetrekking uit te oefenen bij een werkgever als bedoeld in artikel 3 derde lid is, telkens wanneer zich dit voordoet, verplicht voordat die praktijkuitoefening een aanvang neemt aan de Raad van Toezicht afschrift van het in dat lid bedoelde, door hem en zijn werkgever ondertekende statuut te verstrekken.
3. Geschillen die terzake van de toepassing van het in het vorige lid bedoelde statuut tussen de advocaat en diens werkgever mochten ontstaan, kunnen door de advocaat of diens werkgever voor bemiddeling of advies worden voorgelegd aan de Raad van Toezicht.
2. De advocaat die voornemens is de praktijk in dienstbetrekking uit te oefenen bij een werkgever als bedoeld in artikel 3 derde lid is, telkens wanneer zich dit voordoet, verplicht voordat die praktijkuitoefening een aanvang neemt aan de Raad van Toezicht afschrift van het in dat lid bedoelde, door hem en zijn werkgever ondertekende statuut te verstrekken.
3. Geschillen die terzake van de toepassing van het in het vorige lid bedoelde statuut tussen de advocaat en diens werkgever mochten ontstaan, kunnen door de advocaat of diens werkgever voor bemiddeling of advies worden voorgelegd aan de Raad van Toezicht.
- Citeren als
- Art. 5
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0007830
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl