Overgangswet verzorgingshuizen
Hoofdstuk I
Begripsbepalingen
Hoofdstuk II
Subsidiëring van verzorgingshuizen door het College en subsidievoorschriften
Artikel 2
Artikel 3
Artikel 4
Artikel 5
Artikel 6
Artikel 7
Artikel 8
Artikel 9
Artikel 10
Artikel 11
Artikel 12
Artikel 13
Hoofdstuk III
Financiële voorschriften
Artikel 14
Hoofdstuk IV
Eigen bijdragen
Artikel 15
Artikel 16
Hoofdstuk V
Beoordeling door provincies en grote steden van subsidieverstrekking aan verzorgingshuizen en regiovisies
Artikel 17
Artikel 18
Hoofdstuk VI
Informatieverstrekking
Artikel 19
Artikel 20
Artikel 21
Artikel 22
Hoofdstuk VII
Taakverwaarlozing
Artikel 23
Hoofdstuk VIII
Strafbepalingen
Artikel 24
Hoofdstuk IX
Intrekking wet op de bejaardenoorden
Artikel 25
Hoofdstuk X
Het onderbrengen van zorg, bestaande uit duurzaam verblijf en verzorging in een verzorgingshuis, in de aanspraken op zorg op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
Artikel 26
Hoofdstuk XI
Overgangs- en slotbepalingen in verband met de intrekking van de Wet op de bejaardenoorden
Artikel 27
2. Indien een plan voor de planperiode 1997 – 2001 wordt vastgesteld na 1 november van het jaar waarin enig artikel van deze wet in werking treedt, blijft artikel 6 van de Wet op de bejaardenoorden van toepassing op dat plan tot twee maanden na de vaststelling daarvan.
3. Indien Onze Minister een aanwijzing heeft gegeven als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Wet op de bejaardenoorden, blijft artikel 6, van die wet van toepassing tot een gewijzigd dan wel nieuw plan is vastgesteld, dat past binnen het door Onze Minister voor dat plan bekend gemaakte bedrag.
Artikel 27a
2. Voor zover geen plan is vastgesteld, zijn de artikelen 4, 5, 8, 9en 10van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat, onverminderd de op grond van de Wet op de bejaardenoorden ten aanzien van een verzorgingshuis genomen besluiten:
a. de verzorgingshuizen ten behoeve waarvan onmiddellijk voor het in het eerste lid bedoelde tijdstip subsidie werd verleend op grond van de Wet op de bejaardenoorden, gelden als opgenomen in een plan;
b. de toegestane capaciteit van een verzorgingshuis onmiddellijk voor het in het eerste lid bedoelde tijdstip geldt als de in een plan opgenomen capaciteit;
c. de omvang van andere activiteiten dan het verlenen van zorg, bestaande uit duurzaam verblijf en verzorging in een verzorgingshuis, welke onmiddellijk voor het in het eerste lid bedoelde tijdstip voor subsidie op grond van de Wet op de bejaardenoorden in aanmerking werd gebracht, geldt als de in een plan opgenomen omvang van activiteiten.
Artikel 28
a. overschotten als bedoeld in artikel 16b, tweede lid, van de Wet op de bejaardenoorden, bij de afrekening, bedoeld in artikel 16b, eerste lid, van die wet, over het kalenderjaar 1999 worden teruggevorderd;
b. bij afrekeningen als bedoeld in artikel 16b, eerste lid, van de Wet op de bejaardenoorden, een verklaring wordt toegevoegd, waaruit blijkt voor zover er uit artikel 27 en dit artikellid nog kosten voortvloeien.
2. In afwijking van het eerste lid worden overschotten als bedoeld in artikel 16 b, tweede lid, van de Wet op de bejaardenoorden, teruggevorderd:
a. vanaf het tijdstip van intrekking van die wet, voor zover aan deze overschotten een bestemming is gegeven in plannen;
b. terstond, indien uit de in het eerste lid, onder b, bedoelde verklaring blijkt dat overschotten of een deel daarvan niet meer aangewend worden voor de uitvoering van artikel 27 en het eerste lid van dit artikel.
Artikel 29
2. Met betrekking tot degenen die onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van intrekking van de Wet op de bejaardenoorden dienstverlening ontvangen als bedoeld in artikel 2 bvan die wet, wordt geacht voldaan te zijn aan artikel 11, onder a.
Artikel 30
Artikel 31
Artikel 32
Artikel 33
Artikel 34
Artikel 35
Artikel 36
Artikel 37
Artikel 38
Artikel 39
Artikel 40
Artikel 41
Artikel 42
Artikel 43
Artikel 44
Artikel 45
Artikel 46
Artikel 47
Artikel 48
Artikel 49
Hoofdstuk XII
Overgangs- en slotbepalingen in verband met het onderbrengen van zorg, bestaande uit duurzaam verblijf en verzorging in een verzorgingshuis, in de aanspraken op zorg op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
Artikel 50
Artikel 51
Artikel 52
Artikel 53
a. in het jaar van inwerkingtreding van hoofdstuk X duurzaam wordt opgenomen in een verzorgingshuis,
b. in het jaar voorafgaande aan de inwerkingtreding van hoofdstuk X beschikt over een besluit van een orgaan als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van die wet, waaruit blijkt dat duurzaam verblijf en verzorging in het verzorgingshuis ten aanzien van deze verzekerde aangewezen is, en
c. voor het jaar van inwerkingtreding van hoofdstuk X beschikt over een schriftelijke gesloten overeenkomst met een verzorgingshuis, waaruit blijkt dat hij in het jaar van inwerkingtreding van hoofdstuk X duurzaam opgenomen wordt in het verzorgingshuis.
Artikel 54
Artikel 55
Artikel 56
a. het verzorgingshuis geëxploiteerd werd voor inwerkingtreding van hoofdstuk X, of
b. de opdracht tot bouw als bedoeld in die wet gegeven is voor inwerkingtreding van hoofdstuk X.
Artikel 57
Artikel 58
Artikel 59
Artikel 60
Artikel 61
Artikel 62
Artikel 63
Artikel 64
Artikel 65
Artikel 65a
Artikel 65b
Artikel 66
Artikel 67
Artikel 68
Hoofdstuk XIII
Overige slotbepalingen
Artikel 69
2. In afwijking van het eerste lid:
a. verstrekt het College eerst subsidies vanaf 1 januari van het jaar, volgende op het jaar waarin artikel 2, eerste lid, in werking is getreden;
b. worden, indien de artikelen 2, tweede lid, en 14 in werking treden op een tijdstip gelegen tussen 1 juli tot en met 31 december van enig kalenderjaar, het bedrag dan wel de bedragen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, die beschikbaar zijn voor het eerste kalenderjaar waarin het College subsidie verstrekt op grond van deze wet, onderscheidenlijk de begroting, bedoeld in artikel 14, zo spoedig mogelijk meegedeeld, onderscheidenlijk, vastgesteld.