1. De burgemeester, het hoofd van de diplomatieke of consulaire post, de regering van de Nederlandse Antillen en de regering van Aruba dragen de wegens de verzoeken tot naturalisatie ontvangen gelden onder aftrek van het in het tweede lid genoemde bedrag op de door Onze Minister daartoe bepaalde wijze en tijdstippen aan Onze Minister af.
2. De afdrachtplichtige ontvangt voor verzoeken tot naturalisatie als bedoeld in artikel 2, eerste en tweede lid, een vergoeding van € 110 en voor verzoeken tot naturalisatie als bedoeld in artikel 2, derde lid, een vergoeding van € 201. Afdrachtplichtigen in de Nederlandse Antillen of Aruba ontvangen een vergoeding in de tegenwaarde van deze bedragen in Nederlands-Antilliaanse gulden of Arubaanse florin. Met betrekking tot de verzoeken bedoeld in artikel 3, eerste lid, vindt geen vergoeding plaats. Met betrekking tot de verzoeken bedoeld in artikel 3, tweede lid, kan Onze Minister de afdrachtplichtige op zijn verzoek een vergoeding toekennen.
3. De in het eerste lid bedoelde afdracht geschiedt onder overlegging van een lijst met de namen van de personen, die een verzoek tot naturalisatie hebben ingediend.
4. Onze Minister regelt de wijze waarop de juistheid van de afgedragen bedragen wordt vastgesteld.