BWBR0008847
Geldig vanaf 1997-07-25
Artikel 4.1
Voorschrift Algemene wet bestuursrecht 1997
De Belastingdienst is bij zijn handelen niet alleen gebonden aan in wetgeving neergelegde rechtsregels, maar ook aan ongeschreven recht. Bij het ongeschreven recht moet vooral worden gedacht aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. In de Awbis een aantal van deze beginselen in wetteksten vastgelegd (gecodificeerd).
In afdeling 3.2 Awb(zorgvuldigheid en belangenafweging) zijn de volgende beginselen opgenomen:
- bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en af te wegen belangen. Hierbij mag de Belastingdienst in het algemeen afgaan op de door belastingplichtige verstrekte gegevens. De Belastingdienst behoeft niet zelf ter plekke de feiten te gaan vaststellen ingeval belanghebbende onvoldoende gegevens heeft verstrekt;
- het bestuursorgaan gebruikt de bevoegdheid tot het nemen van een besluit niet voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend;
- het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit;
- de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
Het opnemen van deze beginselen in hoofdstuk 3 Awbbetekent dat zij een algemeen toepassingsbereik hebben en op alle handelingen van bestuursorganen van toepassing zijn. De bepalingen zijn dan ook van toepassing op alle beschikkingen die door de Belastingdienst worden gegeven. Hoofdstuk 3 Awbis met uitzondering van artikel 3:40(een besluit treedt niet in werking voordat het is bekendgemaakt) volledig van toepassing op de Invorderingswet 1990.
In afdeling 3.2 Awb(zorgvuldigheid en belangenafweging) zijn de volgende beginselen opgenomen:
- bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en af te wegen belangen. Hierbij mag de Belastingdienst in het algemeen afgaan op de door belastingplichtige verstrekte gegevens. De Belastingdienst behoeft niet zelf ter plekke de feiten te gaan vaststellen ingeval belanghebbende onvoldoende gegevens heeft verstrekt;
- het bestuursorgaan gebruikt de bevoegdheid tot het nemen van een besluit niet voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend;
- het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit;
- de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
Het opnemen van deze beginselen in hoofdstuk 3 Awbbetekent dat zij een algemeen toepassingsbereik hebben en op alle handelingen van bestuursorganen van toepassing zijn. De bepalingen zijn dan ook van toepassing op alle beschikkingen die door de Belastingdienst worden gegeven. Hoofdstuk 3 Awbis met uitzondering van artikel 3:40(een besluit treedt niet in werking voordat het is bekendgemaakt) volledig van toepassing op de Invorderingswet 1990.