BWBR0009609
Geldig vanaf 1998-07-01
Artikel 10
Reïntegratie-instrumenten-besluit Wet REA
1. Een leefvervoersvoorziening als bedoeld in artikel 22, vijfde lid, en 31, derde lid, van de Wet, wordt slechts verleend indien daarmee de uit ziekte of gebrek voortvloeiende beperkingen worden opgeheven of verminderd.
2. Een leefvervoersvoorziening als bedoeld in artikel 22, vijfde lid, van de Wet, wordt slechts verleend indien op grond van artikel 22, eerste, derde of vierde lid, van de Wet, een vervoersvoorziening is verleend.
3. Indien de vervoersvoorziening, toegekend op grond van artikel 22, eerste of derde lid, of op grond van artikel 31, tweede lid, van de Wet, wordt beëindigd omdat de persoon aan wie de voorziening is verstrekt vanwege het bereiken van de leeftijd van 65 jaar niet meer als arbeidsgehandicapte kan worden beschouwd, wordt de leefvervoersvoorziening, bedoeld in artikel 22, vijfde lid, en 31, derde lid, van de Wet, eveneens beëindigd.
4. Na beëindiging van een vervoersvoorziening, toegekend op grond van artikel 22, eerste, derde of vierde lid, of op grond van artikel 31, tweede lid, van de Wet, om andere redenen dan die genoemd in het derde lid, wordt de leefvervoersvoorziening voortgezet gedurende de termijn die is voorzien in de beschikking van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen waarbij de voorziening is toegekend, doch ten hoogste voor de duur van twaalf maanden.
2. Een leefvervoersvoorziening als bedoeld in artikel 22, vijfde lid, van de Wet, wordt slechts verleend indien op grond van artikel 22, eerste, derde of vierde lid, van de Wet, een vervoersvoorziening is verleend.
3. Indien de vervoersvoorziening, toegekend op grond van artikel 22, eerste of derde lid, of op grond van artikel 31, tweede lid, van de Wet, wordt beëindigd omdat de persoon aan wie de voorziening is verstrekt vanwege het bereiken van de leeftijd van 65 jaar niet meer als arbeidsgehandicapte kan worden beschouwd, wordt de leefvervoersvoorziening, bedoeld in artikel 22, vijfde lid, en 31, derde lid, van de Wet, eveneens beëindigd.
4. Na beëindiging van een vervoersvoorziening, toegekend op grond van artikel 22, eerste, derde of vierde lid, of op grond van artikel 31, tweede lid, van de Wet, om andere redenen dan die genoemd in het derde lid, wordt de leefvervoersvoorziening voortgezet gedurende de termijn die is voorzien in de beschikking van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen waarbij de voorziening is toegekend, doch ten hoogste voor de duur van twaalf maanden.