BWBR0009752
Geldig vanaf 1999-03-01
Artikel X
Wijzigingswet Huisvestingswet, enz. (integratie van de woonwagen- en woonschepenregelgeving)
1. Verordeningen als bedoeld in artikel 2, derde lid, van de Huisvestingswetworden binnen zes maanden na de datum van inwerkingtreding van deze wet vastgesteld.
2. Indien een in de bijlage genoemde gemeente een verordening als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Huisvestingswetheeft vastgesteld, wordt deze binnen zes maanden na de datum van inwerkingtreding van deze wet aangepast overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, derde lid, van de Huisvestingswet.
3. Indien het algemeen bestuur van een regionaal openbaar lichaam, als bedoeld in hoofdstuk 2 van de Kaderwet bestuur in verandering, de in artikel 2, eerste lid, van de Huisvestingswetbedoelde huisvestingsverordening heeft vastgesteld, wordt deze binnen zes maanden na de datum van inwerkingtreding van deze wet aangepast overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, derde lid, van de Huisvestingswet.
4. Tot het moment dat een verordening als bedoeld in artikel 2, derde lid, van de Huisvestingswetis vastgesteld en in werking is getreden, wordt bij het afgeven van een huisvestingsvergunning voor een standplaats voorrang verleend aan woningzoekenden, die direct voorafgaand aan het tijdstip van intrekking van de Woonwagenwet ten minste een jaar in een woonwagen op een standplaats hebben gewoond, die is gelegen op een in de bijlage genoemd regionaal woonwagencentrum waarbij die gemeente betrokken is.
5. Het eerste tot en met vierde lid is van overeenkomstige toepassing in gevallen, waarin op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet een aanwijzing bij ministeriële regeling van kracht wordt op voet van artikel 2, vierde lid, van de Huisvestingswet, zoals die bepaling luidt vanaf die inwerkingtreding, met dien verstande dat de in het vierde lid van dit artikel bedoelde voorrang in die gevallen betrekking heeft op degenen die in een woonwagen op een standplaats wonen of hebben gewoond in de desbetreffende gemeente of regio, genoemd in de hierbedoelde ministeriële regeling.
2. Indien een in de bijlage genoemde gemeente een verordening als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Huisvestingswetheeft vastgesteld, wordt deze binnen zes maanden na de datum van inwerkingtreding van deze wet aangepast overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, derde lid, van de Huisvestingswet.
3. Indien het algemeen bestuur van een regionaal openbaar lichaam, als bedoeld in hoofdstuk 2 van de Kaderwet bestuur in verandering, de in artikel 2, eerste lid, van de Huisvestingswetbedoelde huisvestingsverordening heeft vastgesteld, wordt deze binnen zes maanden na de datum van inwerkingtreding van deze wet aangepast overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, derde lid, van de Huisvestingswet.
4. Tot het moment dat een verordening als bedoeld in artikel 2, derde lid, van de Huisvestingswetis vastgesteld en in werking is getreden, wordt bij het afgeven van een huisvestingsvergunning voor een standplaats voorrang verleend aan woningzoekenden, die direct voorafgaand aan het tijdstip van intrekking van de Woonwagenwet ten minste een jaar in een woonwagen op een standplaats hebben gewoond, die is gelegen op een in de bijlage genoemd regionaal woonwagencentrum waarbij die gemeente betrokken is.
5. Het eerste tot en met vierde lid is van overeenkomstige toepassing in gevallen, waarin op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet een aanwijzing bij ministeriële regeling van kracht wordt op voet van artikel 2, vierde lid, van de Huisvestingswet, zoals die bepaling luidt vanaf die inwerkingtreding, met dien verstande dat de in het vierde lid van dit artikel bedoelde voorrang in die gevallen betrekking heeft op degenen die in een woonwagen op een standplaats wonen of hebben gewoond in de desbetreffende gemeente of regio, genoemd in de hierbedoelde ministeriële regeling.