BWBR0009934
Geldig vanaf 1999-11-24
Artikel 3
Besluit woon- en verblijfsgebouwen milieubeheer
Dit besluit is niet van toepassing op een inrichting als bedoeld in artikel 2, indien:
a. in de inrichting of een onderdeel daarvan een of meer stookinstallaties voor verwarming of warmtekrachtopwekking aanwezig zijn met een thermisch vermogen per toestel van 2500 kW of meer;
b. in de inrichting of een onderdeel daarvan een of meer installaties of voorzieningen aanwezig zijn die kunnen worden gebruikt voor het verstoken of verbranden van andere brandstoffen dan aardgas, propaangas, butaangas of gasolie, tenzij sprake is van een open haard voor het verbranden van hout, die alleen is bedoeld voor bij- of sfeerverwarming;
c. in de inrichting of een onderdeel daarvan koel- of vriesinstallaties of warmtepompen aanwezig zijn met een capaciteit of een totale capaciteit van meer dan 200 kg ammoniak of van meer dan 100 kg propaan, butaan of mengsels van propaan en butaan;
d. afvalstoffen worden op- of overgeslagen die van buiten de inrichting afkomstig zijn voorzover de inrichting beschikt over een capaciteit: 1°. van meer dan 35 m3 voor de opslag van afvalstoffen;
2°. voor de opslag van gevaarlijke afvalstoffen, of
3°. van meer dan 1000 m3 per jaar voor de overslag van afvalstoffen;
1°. van meer dan 35 m3 voor de opslag van afvalstoffen;
2°. voor de opslag van gevaarlijke afvalstoffen, of
3°. van meer dan 1000 m3 per jaar voor de overslag van afvalstoffen;
e. in de inrichting of een onderdeel daarvan voorzieningen of installaties aanwezig zijn voor het: 1°. opslaan van gevaarlijke stoffen met een capaciteit van 10 000 kg of meer;
2°. afleveren van brandstoffen aan andere transportmiddelen dan die welke voor eigen gebruik binnen de inrichting worden gebruikt;
3°. opslaan van vloeibare gevaarlijke stoffen of vloeibare gevaarlijke afvalstoffen in tanks, tenzij sprake is van opslaan in ondergrondse tanks, waarop het Besluit opslaan in ondergrondse tanks 1998 van toepassing is, dan wel sprake is van opslaan van brandbare vloeistoffen in bovengrondse tanks dan wel sprake is van een opslag overeenkomstig voorschrift 2.1.5, onder a;
4°. opslaan van gassen of gasmengsels in tanks, tenzij sprake is van opslag waarop het Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer van toepassing is, of
5°. opslaan van gewasbeschermingsmiddelen of biociden als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden met een capaciteit van 400 kg of meer;
1°. opslaan van gevaarlijke stoffen met een capaciteit van 10 000 kg of meer;
2°. afleveren van brandstoffen aan andere transportmiddelen dan die welke voor eigen gebruik binnen de inrichting worden gebruikt;
3°. opslaan van vloeibare gevaarlijke stoffen of vloeibare gevaarlijke afvalstoffen in tanks, tenzij sprake is van opslaan in ondergrondse tanks, waarop het Besluit opslaan in ondergrondse tanks 1998 van toepassing is, dan wel sprake is van opslaan van brandbare vloeistoffen in bovengrondse tanks dan wel sprake is van een opslag overeenkomstig voorschrift 2.1.5, onder a;
4°. opslaan van gassen of gasmengsels in tanks, tenzij sprake is van opslag waarop het Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer van toepassing is, of
5°. opslaan van gewasbeschermingsmiddelen of biociden als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden met een capaciteit van 400 kg of meer;
f. deze is ingericht: 1°. voor het doen verblijven van dieren van anderen dan degene die de inrichting drijft, op een terrein in de open lucht;
2°. als hippisch opleidingscentrum;
3°. voor het bedrijfsmatig houden, fokken, verhandelen of slachten van dieren;
4°. als brandweerkazerne, of
5°. voor het opslaan van vuurwerk.
1°. voor het doen verblijven van dieren van anderen dan degene die de inrichting drijft, op een terrein in de open lucht;
2°. als hippisch opleidingscentrum;
3°. voor het bedrijfsmatig houden, fokken, verhandelen of slachten van dieren;
4°. als brandweerkazerne, of
5°. voor het opslaan van vuurwerk.
g. vaklokalen of werkplaatsen niet uitsluitend of in hoofdzaak worden gebruikt voor onderwijs dan wel voor onderhoud, ondersteuning of reparatie van tot de inrichting behorende gebouwen, installaties of toestellen;
h. in de inrichting onderzoek of werkzaamheden worden verricht met genetisch gemodificeerde organismen, als bedoeld in artikel 1, onder f, van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen Wet milieugevaarlijke stoffen;
i. de inrichting of een onderdeel daarvan is bestemd tot praktijkruimte voor chemisch of biochemisch, natuurkundig, technisch, agrarisch of veterinair onderwijs waarop de Wet op het hoger onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek van toepassing is;
j. de inrichting of een onderdeel daarvan is bestemd tot academisch ziekenhuis, als bedoeld in artikel 1.13 van de Wet op het hoger onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek, of tot laboratorium, dan wel deel uitmaakt van een krachtens artikel 5 van de Wet toelating zorginstellingen als ziekenhuis toegelaten instelling;
k. in de inrichting met vuurwapens wordt geschoten, met ontvlambare of explosieve voorwerpen wordt geworpen of op een open terrein van de inrichting met wapens werkend met luchtdruk of gasdruk wordt geschoten;
l. het totale permanent aanwezige elektromotorische en verbrandingsmotorische vermogen voor reprografische activiteiten meer bedraagt dan 40 kW, of
m. de inrichting is bestemd tot tandartspraktijk.
a. in de inrichting of een onderdeel daarvan een of meer stookinstallaties voor verwarming of warmtekrachtopwekking aanwezig zijn met een thermisch vermogen per toestel van 2500 kW of meer;
b. in de inrichting of een onderdeel daarvan een of meer installaties of voorzieningen aanwezig zijn die kunnen worden gebruikt voor het verstoken of verbranden van andere brandstoffen dan aardgas, propaangas, butaangas of gasolie, tenzij sprake is van een open haard voor het verbranden van hout, die alleen is bedoeld voor bij- of sfeerverwarming;
c. in de inrichting of een onderdeel daarvan koel- of vriesinstallaties of warmtepompen aanwezig zijn met een capaciteit of een totale capaciteit van meer dan 200 kg ammoniak of van meer dan 100 kg propaan, butaan of mengsels van propaan en butaan;
d. afvalstoffen worden op- of overgeslagen die van buiten de inrichting afkomstig zijn voorzover de inrichting beschikt over een capaciteit: 1°. van meer dan 35 m3 voor de opslag van afvalstoffen;
2°. voor de opslag van gevaarlijke afvalstoffen, of
3°. van meer dan 1000 m3 per jaar voor de overslag van afvalstoffen;
1°. van meer dan 35 m3 voor de opslag van afvalstoffen;
2°. voor de opslag van gevaarlijke afvalstoffen, of
3°. van meer dan 1000 m3 per jaar voor de overslag van afvalstoffen;
e. in de inrichting of een onderdeel daarvan voorzieningen of installaties aanwezig zijn voor het: 1°. opslaan van gevaarlijke stoffen met een capaciteit van 10 000 kg of meer;
2°. afleveren van brandstoffen aan andere transportmiddelen dan die welke voor eigen gebruik binnen de inrichting worden gebruikt;
3°. opslaan van vloeibare gevaarlijke stoffen of vloeibare gevaarlijke afvalstoffen in tanks, tenzij sprake is van opslaan in ondergrondse tanks, waarop het Besluit opslaan in ondergrondse tanks 1998 van toepassing is, dan wel sprake is van opslaan van brandbare vloeistoffen in bovengrondse tanks dan wel sprake is van een opslag overeenkomstig voorschrift 2.1.5, onder a;
4°. opslaan van gassen of gasmengsels in tanks, tenzij sprake is van opslag waarop het Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer van toepassing is, of
5°. opslaan van gewasbeschermingsmiddelen of biociden als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden met een capaciteit van 400 kg of meer;
1°. opslaan van gevaarlijke stoffen met een capaciteit van 10 000 kg of meer;
2°. afleveren van brandstoffen aan andere transportmiddelen dan die welke voor eigen gebruik binnen de inrichting worden gebruikt;
3°. opslaan van vloeibare gevaarlijke stoffen of vloeibare gevaarlijke afvalstoffen in tanks, tenzij sprake is van opslaan in ondergrondse tanks, waarop het Besluit opslaan in ondergrondse tanks 1998 van toepassing is, dan wel sprake is van opslaan van brandbare vloeistoffen in bovengrondse tanks dan wel sprake is van een opslag overeenkomstig voorschrift 2.1.5, onder a;
4°. opslaan van gassen of gasmengsels in tanks, tenzij sprake is van opslag waarop het Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer van toepassing is, of
5°. opslaan van gewasbeschermingsmiddelen of biociden als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden met een capaciteit van 400 kg of meer;
f. deze is ingericht: 1°. voor het doen verblijven van dieren van anderen dan degene die de inrichting drijft, op een terrein in de open lucht;
2°. als hippisch opleidingscentrum;
3°. voor het bedrijfsmatig houden, fokken, verhandelen of slachten van dieren;
4°. als brandweerkazerne, of
5°. voor het opslaan van vuurwerk.
1°. voor het doen verblijven van dieren van anderen dan degene die de inrichting drijft, op een terrein in de open lucht;
2°. als hippisch opleidingscentrum;
3°. voor het bedrijfsmatig houden, fokken, verhandelen of slachten van dieren;
4°. als brandweerkazerne, of
5°. voor het opslaan van vuurwerk.
g. vaklokalen of werkplaatsen niet uitsluitend of in hoofdzaak worden gebruikt voor onderwijs dan wel voor onderhoud, ondersteuning of reparatie van tot de inrichting behorende gebouwen, installaties of toestellen;
h. in de inrichting onderzoek of werkzaamheden worden verricht met genetisch gemodificeerde organismen, als bedoeld in artikel 1, onder f, van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen Wet milieugevaarlijke stoffen;
i. de inrichting of een onderdeel daarvan is bestemd tot praktijkruimte voor chemisch of biochemisch, natuurkundig, technisch, agrarisch of veterinair onderwijs waarop de Wet op het hoger onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek van toepassing is;
j. de inrichting of een onderdeel daarvan is bestemd tot academisch ziekenhuis, als bedoeld in artikel 1.13 van de Wet op het hoger onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek, of tot laboratorium, dan wel deel uitmaakt van een krachtens artikel 5 van de Wet toelating zorginstellingen als ziekenhuis toegelaten instelling;
k. in de inrichting met vuurwapens wordt geschoten, met ontvlambare of explosieve voorwerpen wordt geworpen of op een open terrein van de inrichting met wapens werkend met luchtdruk of gasdruk wordt geschoten;
l. het totale permanent aanwezige elektromotorische en verbrandingsmotorische vermogen voor reprografische activiteiten meer bedraagt dan 40 kW, of
m. de inrichting is bestemd tot tandartspraktijk.