BWBR0010850
Geldig vanaf 06-03-2005
Artikel 4
Hygiënebesluit opfokleghennenbedrijven 1999
1. Voorafgaande aan het overplaatsen van een koppel pluimvee dient ten minste 0,5 % van dat koppel te worden bemonsterd door middel van bloedmonsters, met een minimum van 24 kippen en een maximum van 60 kippen.
2. Het onderzoek op aanwezigheid van antistoffen tegen Salmonella enteritidis en/of Salmonella typhimurium vindt plaats maximaal 21 dagen voordat het betreffende koppel pluimvee wordt overgeplaatst.
3. De ondernemer die een opfokleghennenbedrijf uitoefent en zijn pluimvee ent tegen Salmonella enteritidis is verplicht dit schriftelijk door te geven aan het Productschap.
4. Een koppel opfokleghennen dat binnen een bedrijf naar de leghennenstal wordt overgeplaatst, dient ook voorafgaand aan de overplaatsing op Salmonella enteritidis en/of Salmonella typhimurium te worden onderzocht.
5. In geval uit het onderzoek van de monsters bedoeld in het eerste lid blijkt dat een koppel pluimvee is besmet met S.e. of S.t. worden de door dat koppel geproduceerde eieren afgezet naar de eiproductenindustrie of ondergaan zij een andere effectieve en toegestane (warmte)behandeling of wordt het koppel geruimd. De in de vorige zin bedoelde eieren worden niet als klasse A eieren verhandeld.
6. Pas als uit verificatie-onderzoek door de GD blijkt dat het koppel vrij is van S.e. of S.t. mogen de eieren weer als klasse A eieren worden verhandeld. Ten behoeve van het verificatie-onderzoek worden door de GD 150 mestmonsters genomen die tot 6 monsters van ieder 25 worden gepoold.
2. Het onderzoek op aanwezigheid van antistoffen tegen Salmonella enteritidis en/of Salmonella typhimurium vindt plaats maximaal 21 dagen voordat het betreffende koppel pluimvee wordt overgeplaatst.
3. De ondernemer die een opfokleghennenbedrijf uitoefent en zijn pluimvee ent tegen Salmonella enteritidis is verplicht dit schriftelijk door te geven aan het Productschap.
4. Een koppel opfokleghennen dat binnen een bedrijf naar de leghennenstal wordt overgeplaatst, dient ook voorafgaand aan de overplaatsing op Salmonella enteritidis en/of Salmonella typhimurium te worden onderzocht.
5. In geval uit het onderzoek van de monsters bedoeld in het eerste lid blijkt dat een koppel pluimvee is besmet met S.e. of S.t. worden de door dat koppel geproduceerde eieren afgezet naar de eiproductenindustrie of ondergaan zij een andere effectieve en toegestane (warmte)behandeling of wordt het koppel geruimd. De in de vorige zin bedoelde eieren worden niet als klasse A eieren verhandeld.
6. Pas als uit verificatie-onderzoek door de GD blijkt dat het koppel vrij is van S.e. of S.t. mogen de eieren weer als klasse A eieren worden verhandeld. Ten behoeve van het verificatie-onderzoek worden door de GD 150 mestmonsters genomen die tot 6 monsters van ieder 25 worden gepoold.
- Citeren als
- Art. 4
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0010850
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl