BWBR0011133
Geldig vanaf 2000-02-29
Artikel 15
Lozingenbesluit open teelt en veehouderij
1. Met betrekking tot het lozen op een andere wijze dan met behulp van een werk in het kader van gewasbescherming worden binnen een afstand van 14 m vanaf de insteek van een oppervlaktewaterlichaam de voorschriften, gesteld bij of krachtens het derde tot en met het zevende lid, in acht genomen.
2. Met betrekking tot het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen binnen een afstand van 14 m vanaf de insteek van een oppervlaktewaterlichaam, worden de voorschriften gesteld bij of krachtens het derde tot en met het zevende lid in acht genomen.
3. Gewasbeschermingsmiddelen worden niet gebruikt
a. met veldspuitapparatuur, met uitzondering van een overkapte beddenspuit, die: 1°. niet is voorzien van kantdoppen en andere driftarme doppen, of
2°. zodanig is ingesteld dat de spuitdoppen zich op een hoogte groter dan 50 cm boven het gewas of de kale grond bevinden;
1°. niet is voorzien van kantdoppen en andere driftarme doppen, of
2°. zodanig is ingesteld dat de spuitdoppen zich op een hoogte groter dan 50 cm boven het gewas of de kale grond bevinden;
b. met een spuitgeweer dat is voorzien van een werveldop of dat gebruik maakt van een werkdruk van 5 bar of meer, zodat over een afstand van meer dan 2 m vloeistof verspreid kan worden;
c. bij een windsnelheid van 5 m of meer per seconde gemeten op spuitdophoogte tenzij: 1°. de gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt met een overkapte beddenspuit;
2°. degene die de gewasbeschermingsmiddelen gebruikt kan aantonen, dat redelijkerwijs niet anders dan door het gebruiken van die middelen bij een windsnelheid van 5 m of meer per seconde een teeltbedreigende situatie kan worden afgewend.
1°. de gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt met een overkapte beddenspuit;
2°. degene die de gewasbeschermingsmiddelen gebruikt kan aantonen, dat redelijkerwijs niet anders dan door het gebruiken van die middelen bij een windsnelheid van 5 m of meer per seconde een teeltbedreigende situatie kan worden afgewend.
4. Binnen de teeltvrije zone worden gewasbeschermingsmiddelen niet gebruikt met apparatuur die bestemd is voor het druppelsgewijs gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen, met uitzondering van pleksgewijze onkruidbestrijding met een afgeschermde spuitdop.
5. In afwijking van het vijfde lid is het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen op overhangend loof met een maximale omvang van een halve gewasrij toegestaan, tenzij daartoe gebruik wordt gemaakt van naar een oppervlaktewaterlichaam gerichte apparatuur.
6. Het driftarm karakter van doppen als bedoeld in het vierde lid, onderdeel a,
a. blijkt uit een testcertificaat en
b. wordt volgens een door Onze Ministers bij ministeriële regeling aan te wijzen testmethode dan wel een daaraan gelijkwaardige methode vastgesteld.
2. Met betrekking tot het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen binnen een afstand van 14 m vanaf de insteek van een oppervlaktewaterlichaam, worden de voorschriften gesteld bij of krachtens het derde tot en met het zevende lid in acht genomen.
3. Gewasbeschermingsmiddelen worden niet gebruikt
a. met veldspuitapparatuur, met uitzondering van een overkapte beddenspuit, die: 1°. niet is voorzien van kantdoppen en andere driftarme doppen, of
2°. zodanig is ingesteld dat de spuitdoppen zich op een hoogte groter dan 50 cm boven het gewas of de kale grond bevinden;
1°. niet is voorzien van kantdoppen en andere driftarme doppen, of
2°. zodanig is ingesteld dat de spuitdoppen zich op een hoogte groter dan 50 cm boven het gewas of de kale grond bevinden;
b. met een spuitgeweer dat is voorzien van een werveldop of dat gebruik maakt van een werkdruk van 5 bar of meer, zodat over een afstand van meer dan 2 m vloeistof verspreid kan worden;
c. bij een windsnelheid van 5 m of meer per seconde gemeten op spuitdophoogte tenzij: 1°. de gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt met een overkapte beddenspuit;
2°. degene die de gewasbeschermingsmiddelen gebruikt kan aantonen, dat redelijkerwijs niet anders dan door het gebruiken van die middelen bij een windsnelheid van 5 m of meer per seconde een teeltbedreigende situatie kan worden afgewend.
1°. de gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt met een overkapte beddenspuit;
2°. degene die de gewasbeschermingsmiddelen gebruikt kan aantonen, dat redelijkerwijs niet anders dan door het gebruiken van die middelen bij een windsnelheid van 5 m of meer per seconde een teeltbedreigende situatie kan worden afgewend.
4. Binnen de teeltvrije zone worden gewasbeschermingsmiddelen niet gebruikt met apparatuur die bestemd is voor het druppelsgewijs gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen, met uitzondering van pleksgewijze onkruidbestrijding met een afgeschermde spuitdop.
5. In afwijking van het vijfde lid is het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen op overhangend loof met een maximale omvang van een halve gewasrij toegestaan, tenzij daartoe gebruik wordt gemaakt van naar een oppervlaktewaterlichaam gerichte apparatuur.
6. Het driftarm karakter van doppen als bedoeld in het vierde lid, onderdeel a,
a. blijkt uit een testcertificaat en
b. wordt volgens een door Onze Ministers bij ministeriële regeling aan te wijzen testmethode dan wel een daaraan gelijkwaardige methode vastgesteld.