BWBR0011158
Geldig vanaf 2000-03-01
Artikel 34
Erkenningsregeling APK
1. De keuringsplaatsen blijven voortdurend voldoen aan de eisen, gesteld in de artikelen 3 tot en met 8.
2. De mobiele keuringseenheden, alsmede de inrichtingen of keuringsplaatsen waarin met een mobiele keuringseenheid keuringen mogen worden verricht blijven voortdurend voldoen aan de eisen, gesteld in de artikelen 12 tot en met 17.
3. In afwijking van het eerste en tweede lid, geldt tot 1 januari 2010 in afwijking van de in artikel 4, tweede lid, en artikel 13, tweede lid, genoemde maten:
a. voor erkenningen verleend voor 1 januari 1995 dat de inspectieput een diepte en de hefinrichting een hoogte heeft van ten minste 1,20 m, indien de erkenning is verleend voor zowel voertuigen waarvan de toegestane maximum massa meer bedraagt dan 3500 kg als waarvan de toegestane maximum massa niet meer bedraagt dan 3500 kg;
b. voor erkenningen verleend na 31 december 1994, doch voor 1 januari 2006: 1°. dat de inspectieput een diepte en de hefinrichting een hefhoogte heeft van ten minste 1,20 m, indien de erkenning is verleend voor voertuigen waarvan de toegestane maximummassa meer bedraagt dan 3500 kg;
2°. dat de inspectieput een diepte en de hefinrichting een hefhoogte heeft van ten minste 1,40 m, indien de erkenning is verleend voor voertuigen waarvan de toegestane maximummassa niet meer bedraagt dan 3500 kg.
1°. dat de inspectieput een diepte en de hefinrichting een hefhoogte heeft van ten minste 1,20 m, indien de erkenning is verleend voor voertuigen waarvan de toegestane maximummassa meer bedraagt dan 3500 kg;
2°. dat de inspectieput een diepte en de hefinrichting een hefhoogte heeft van ten minste 1,40 m, indien de erkenning is verleend voor voertuigen waarvan de toegestane maximummassa niet meer bedraagt dan 3500 kg.
2. De mobiele keuringseenheden, alsmede de inrichtingen of keuringsplaatsen waarin met een mobiele keuringseenheid keuringen mogen worden verricht blijven voortdurend voldoen aan de eisen, gesteld in de artikelen 12 tot en met 17.
3. In afwijking van het eerste en tweede lid, geldt tot 1 januari 2010 in afwijking van de in artikel 4, tweede lid, en artikel 13, tweede lid, genoemde maten:
a. voor erkenningen verleend voor 1 januari 1995 dat de inspectieput een diepte en de hefinrichting een hoogte heeft van ten minste 1,20 m, indien de erkenning is verleend voor zowel voertuigen waarvan de toegestane maximum massa meer bedraagt dan 3500 kg als waarvan de toegestane maximum massa niet meer bedraagt dan 3500 kg;
b. voor erkenningen verleend na 31 december 1994, doch voor 1 januari 2006: 1°. dat de inspectieput een diepte en de hefinrichting een hefhoogte heeft van ten minste 1,20 m, indien de erkenning is verleend voor voertuigen waarvan de toegestane maximummassa meer bedraagt dan 3500 kg;
2°. dat de inspectieput een diepte en de hefinrichting een hefhoogte heeft van ten minste 1,40 m, indien de erkenning is verleend voor voertuigen waarvan de toegestane maximummassa niet meer bedraagt dan 3500 kg.
1°. dat de inspectieput een diepte en de hefinrichting een hefhoogte heeft van ten minste 1,20 m, indien de erkenning is verleend voor voertuigen waarvan de toegestane maximummassa meer bedraagt dan 3500 kg;
2°. dat de inspectieput een diepte en de hefinrichting een hefhoogte heeft van ten minste 1,40 m, indien de erkenning is verleend voor voertuigen waarvan de toegestane maximummassa niet meer bedraagt dan 3500 kg.