BWBR0011853
Geldig vanaf 2004-09-10
Artikel 2
Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten
1. Als beschermde inheemse dier- en plantensoorten als bedoeld in artikel 75, vijfde lid, van de wetzijn aangewezen de dier- en plantensoorten, genoemd in bijlage 1bij dit besluit.
2. Als aantal en soort als bedoeld in artikel 75, vijfde lid, onderdeel b, van de wetzijn aangewezen 10.000 wilde eenden ( Anas platyrhynchos) per jaar.
3. Als andere belangen als bedoeld in artikel 75, vijfde lid, onderdeel c, van de wetzijn aangewezen:
a. de bepalingen inzake de gemeenschappelijke markt en een vrij verkeer van goederen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap;
b. de bescherming van flora en fauna;
c. de veiligheid van het luchtverkeer;
d. de volksgezondheid of openbare veiligheid;
e. dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten;
f. het voorkomen van ernstige schade aan vormen van eigendom, anders dan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren;
g. belangrijke overlast veroorzaakt door dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort;
h. de uitvoering van werkzaamheden in het kader van bestendig beheer en onderhoud in de landbouw en in de bosbouw;
i. bestendig gebruik;
j. de uitvoering van werkzaamheden in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling.
2. Als aantal en soort als bedoeld in artikel 75, vijfde lid, onderdeel b, van de wetzijn aangewezen 10.000 wilde eenden ( Anas platyrhynchos) per jaar.
3. Als andere belangen als bedoeld in artikel 75, vijfde lid, onderdeel c, van de wetzijn aangewezen:
a. de bepalingen inzake de gemeenschappelijke markt en een vrij verkeer van goederen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap;
b. de bescherming van flora en fauna;
c. de veiligheid van het luchtverkeer;
d. de volksgezondheid of openbare veiligheid;
e. dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten;
f. het voorkomen van ernstige schade aan vormen van eigendom, anders dan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren;
g. belangrijke overlast veroorzaakt door dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort;
h. de uitvoering van werkzaamheden in het kader van bestendig beheer en onderhoud in de landbouw en in de bosbouw;
i. bestendig gebruik;
j. de uitvoering van werkzaamheden in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling.