BWBR0012702
Geldig vanaf 2014-01-01
Artikel 127
Besluit stralingsbescherming
1. Een vergunning, die voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit is verleend krachtens:
a. artikel 29 van de wet, juncto artikel 6 en 7 van het Besluit stralenbescherming Kernenergiewet zoals dat besluit luidde tot de datum van inwerkingtreding van dit besluit;
b. artikel 34 van de wet, juncto artikel 8 van het Besluit stralenbescherming Kernenergiewet zoals dat besluit luidde tot de datum van inwerkingtreding van dit besluit, of
c. artikel 26 van de Mijnwet continentaal plat, juncto artikel 167 van het Mijnreglement continentaal plat, zoals dat besluit luidde tot de datum van inwerkingtreding van dit besluit, berust na de datum van inwerkingtreding van dit besluit op de artikelen 23, 24, 25 of 108 van dit besluit.
2. Een handeling met een toestel waarvoor voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit vergunning is verleend bij of krachtens artikel 34 van de wet, juncto artikel 8, eerste lid, onder b, van het Besluit stralenbescherming Kernenergiewet zoals dat besluit luidde tot de datum van inwerkingtreding van dit besluit, wordt geacht te zijn gemeld overeenkomstig artikel 21van dit besluit.
3. De ondernemer die een handeling of een werkzaamheid met een radioactieve stof verricht waarvoor krachtens artikel 29 van de wet, juncto artikel 6, eerste en tweede lid, en artikel 7, eerste en tweede lid, van het Besluit stralenbescherming Kernenergiewet, zoals dat besluit luidde tot de datum van inwerkingtreding van dit besluit of krachtens artikel 34 van de wet, geen vergunning is vereist maar waarvoor hij bij of krachtens dit besluit wel een vergunning behoeft, dient binnen 12 maanden na inwerkingtreding van dit besluit een aanvraag in overeenkomstig artikel 43van dit besluit. Totdat Onze Ministers hebben beslist op die aanvraag, wordt de handeling aangemerkt te zijn verricht overeenkomstig dit besluit.
4. De ondernemer die een werkzaamheid verricht waarvoor krachtens de wet tot de datum van inwerkingtreding van dit besluit geen melding of vergunning is vereist, maar waarvoor krachtens hoofdstuk 8van dit besluit melding is vereist, meldt de werkzaamheid voor een door Onze Ministers nader te bepalen tijdstip. Tot dat tijdstip wordt de werkzaamheid geacht te zijn gemeld overeenkomstig dit besluit.
5. De ondernemer die een werkzaamheid verricht waarvoor krachtens de wet tot de datum van inwerkingtreding van dit besluit een vergunning is verleend, maar waarvoor krachtens hoofdstuk 8van dit besluit een melding is vereist, wordt geacht de werkzaamheid te hebben gemeld overeenkomstig artikel 103van dit besluit. De aan de vergunning verbonden voorschriften blijven na de datum van inwerkingtreding van hoofdstuk 8van dit besluit gelden.
6. Een toestel als bedoeld in artikel 34 van de wet, juncto artikel 4, tweede lid, van het Besluit stralenbescherming Kernenergiewet, zoals dat besluit luidde tot de datum van inwerkingtreding van dit besluit, respectievelijk een handeling met een radioactieve stof als bedoeld in artikel 29 van de wet, juncto artikel 6, derde lid, van het Besluit stralenbescherming Kernenergiewet, zoals dat besluit luidde tot de datum van inwerkingtreding van dit besluit, worden aangemerkt als een toestel dat ingevolge artikel 21, tweede lid, onder d, van dit besluit is goedgekeurd, onderscheidenlijk een handeling van een type, dat ingevolge artikel 26, eerste lid, onder a, van dit besluit is goedgekeurd.
7. De handelingen waarvoor het eerste en tweede lid van toepassing zijn en die op grond van artikel 4niet-gerechtvaardigd zijn, of behoren tot een categorie die niet-gerechtvaardigd zijn, worden op de datum van inwerkingtreding van dit besluit aangemerkt als gerechtvaardigd.
8. Handelingen die voor het in werking treden van dit besluit zijn gemeld overeenkomstig het Besluit stralenbescherming Kernenergiewet, en die niet overeenkomstig artikel 4zijn gerechtvaardigd, of behoren tot een categorie die niet overeenkomstig artikel 4 gerechtvaardigd is, worden gelijkgesteld met overeenkomstig artikel 4 gerechtvaardigde handelingen.
a. artikel 29 van de wet, juncto artikel 6 en 7 van het Besluit stralenbescherming Kernenergiewet zoals dat besluit luidde tot de datum van inwerkingtreding van dit besluit;
b. artikel 34 van de wet, juncto artikel 8 van het Besluit stralenbescherming Kernenergiewet zoals dat besluit luidde tot de datum van inwerkingtreding van dit besluit, of
c. artikel 26 van de Mijnwet continentaal plat, juncto artikel 167 van het Mijnreglement continentaal plat, zoals dat besluit luidde tot de datum van inwerkingtreding van dit besluit, berust na de datum van inwerkingtreding van dit besluit op de artikelen 23, 24, 25 of 108 van dit besluit.
2. Een handeling met een toestel waarvoor voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit vergunning is verleend bij of krachtens artikel 34 van de wet, juncto artikel 8, eerste lid, onder b, van het Besluit stralenbescherming Kernenergiewet zoals dat besluit luidde tot de datum van inwerkingtreding van dit besluit, wordt geacht te zijn gemeld overeenkomstig artikel 21van dit besluit.
3. De ondernemer die een handeling of een werkzaamheid met een radioactieve stof verricht waarvoor krachtens artikel 29 van de wet, juncto artikel 6, eerste en tweede lid, en artikel 7, eerste en tweede lid, van het Besluit stralenbescherming Kernenergiewet, zoals dat besluit luidde tot de datum van inwerkingtreding van dit besluit of krachtens artikel 34 van de wet, geen vergunning is vereist maar waarvoor hij bij of krachtens dit besluit wel een vergunning behoeft, dient binnen 12 maanden na inwerkingtreding van dit besluit een aanvraag in overeenkomstig artikel 43van dit besluit. Totdat Onze Ministers hebben beslist op die aanvraag, wordt de handeling aangemerkt te zijn verricht overeenkomstig dit besluit.
4. De ondernemer die een werkzaamheid verricht waarvoor krachtens de wet tot de datum van inwerkingtreding van dit besluit geen melding of vergunning is vereist, maar waarvoor krachtens hoofdstuk 8van dit besluit melding is vereist, meldt de werkzaamheid voor een door Onze Ministers nader te bepalen tijdstip. Tot dat tijdstip wordt de werkzaamheid geacht te zijn gemeld overeenkomstig dit besluit.
5. De ondernemer die een werkzaamheid verricht waarvoor krachtens de wet tot de datum van inwerkingtreding van dit besluit een vergunning is verleend, maar waarvoor krachtens hoofdstuk 8van dit besluit een melding is vereist, wordt geacht de werkzaamheid te hebben gemeld overeenkomstig artikel 103van dit besluit. De aan de vergunning verbonden voorschriften blijven na de datum van inwerkingtreding van hoofdstuk 8van dit besluit gelden.
6. Een toestel als bedoeld in artikel 34 van de wet, juncto artikel 4, tweede lid, van het Besluit stralenbescherming Kernenergiewet, zoals dat besluit luidde tot de datum van inwerkingtreding van dit besluit, respectievelijk een handeling met een radioactieve stof als bedoeld in artikel 29 van de wet, juncto artikel 6, derde lid, van het Besluit stralenbescherming Kernenergiewet, zoals dat besluit luidde tot de datum van inwerkingtreding van dit besluit, worden aangemerkt als een toestel dat ingevolge artikel 21, tweede lid, onder d, van dit besluit is goedgekeurd, onderscheidenlijk een handeling van een type, dat ingevolge artikel 26, eerste lid, onder a, van dit besluit is goedgekeurd.
7. De handelingen waarvoor het eerste en tweede lid van toepassing zijn en die op grond van artikel 4niet-gerechtvaardigd zijn, of behoren tot een categorie die niet-gerechtvaardigd zijn, worden op de datum van inwerkingtreding van dit besluit aangemerkt als gerechtvaardigd.
8. Handelingen die voor het in werking treden van dit besluit zijn gemeld overeenkomstig het Besluit stralenbescherming Kernenergiewet, en die niet overeenkomstig artikel 4zijn gerechtvaardigd, of behoren tot een categorie die niet overeenkomstig artikel 4 gerechtvaardigd is, worden gelijkgesteld met overeenkomstig artikel 4 gerechtvaardigde handelingen.