BWBR0013181
Geldig vanaf 01-04-2002
Artikel 5
Jachtregeling
1. Het theoretische gedeelte van het jachtexamen voor de jacht met één of meer jachtvogels bevat:
a. ten minste 40 meerkeuzevragen waarin de kennis, bedoeld in artikel 6, derde lid, van het Jachtbesluit, wordt getoetst, waarvan: 15 vragen betreffende onderwerpen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel a tot en met c, van het Jachtbesluit;
5 vragen betreffende onderwerpen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel e, van het Jachtbesluit;
10 vragen betreffende onderwerpen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel g en h, van het Jachtbesluit;
5 vragen betreffende onderwerpen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel j, van het Jachtbesluit;
5 vragen betreffende onderwerpen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel k en l, van het Jachtbesluit en
15 vragen betreffende onderwerpen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel a tot en met c, van het Jachtbesluit;
5 vragen betreffende onderwerpen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel e, van het Jachtbesluit;
10 vragen betreffende onderwerpen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel g en h, van het Jachtbesluit;
5 vragen betreffende onderwerpen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel j, van het Jachtbesluit;
5 vragen betreffende onderwerpen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel k en l, van het Jachtbesluit en
b. ten minste 20 meerkeuzevragen, gesteld naar aanleiding van dia- of filmbeelden of andere beelddragers waarin de kennis, bedoeld in artikel 6, derde lid, van het Jachtbesluit, wordt getoetst, waarvan: 10 vragen betreffende onderwerpen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel a en b, van het Jachtbesluit en
10 vragen betreffende onderwerpen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel c, e, g, h, j, k en l, van het Jachtbesluit.
10 vragen betreffende onderwerpen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel a en b, van het Jachtbesluit en
10 vragen betreffende onderwerpen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel c, e, g, h, j, k en l, van het Jachtbesluit.
2. Van de vragen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a en b, dient ten minste 70% goed te zijn beantwoord.
3. Het praktische gedeelte van het jachtexamen voor de jacht met een jachtvogel omvat twee stages van een jaar bij twee door een in artikel 7 bedoelde organisatie aangewezen mentoren. Bij de beoordeling van de stages wordt getoetst of voldoende bekwaamheid is verworven ten aanzien van:
omgang met jachtvogels;
dragen en zeeg maken van jachtvogels;
verzorging van jachtvogels;
aanleggen van tuig;
doden van prooien en slachten van aasdieren;
aanleren van gewenst gedrag van jachtvogels;
voorkomen en afleren van ongewenst gedrag van jachtvogels;
zoeken en terugvangen van verloren jachtvogels;
beoordelen van de inzetbaarheid van jachtvogels;
toepassen van fretten en
gebruik van fluit, loer en balg.
a. ten minste 40 meerkeuzevragen waarin de kennis, bedoeld in artikel 6, derde lid, van het Jachtbesluit, wordt getoetst, waarvan: 15 vragen betreffende onderwerpen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel a tot en met c, van het Jachtbesluit;
5 vragen betreffende onderwerpen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel e, van het Jachtbesluit;
10 vragen betreffende onderwerpen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel g en h, van het Jachtbesluit;
5 vragen betreffende onderwerpen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel j, van het Jachtbesluit;
5 vragen betreffende onderwerpen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel k en l, van het Jachtbesluit en
15 vragen betreffende onderwerpen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel a tot en met c, van het Jachtbesluit;
5 vragen betreffende onderwerpen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel e, van het Jachtbesluit;
10 vragen betreffende onderwerpen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel g en h, van het Jachtbesluit;
5 vragen betreffende onderwerpen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel j, van het Jachtbesluit;
5 vragen betreffende onderwerpen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel k en l, van het Jachtbesluit en
b. ten minste 20 meerkeuzevragen, gesteld naar aanleiding van dia- of filmbeelden of andere beelddragers waarin de kennis, bedoeld in artikel 6, derde lid, van het Jachtbesluit, wordt getoetst, waarvan: 10 vragen betreffende onderwerpen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel a en b, van het Jachtbesluit en
10 vragen betreffende onderwerpen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel c, e, g, h, j, k en l, van het Jachtbesluit.
10 vragen betreffende onderwerpen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel a en b, van het Jachtbesluit en
10 vragen betreffende onderwerpen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel c, e, g, h, j, k en l, van het Jachtbesluit.
2. Van de vragen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a en b, dient ten minste 70% goed te zijn beantwoord.
3. Het praktische gedeelte van het jachtexamen voor de jacht met een jachtvogel omvat twee stages van een jaar bij twee door een in artikel 7 bedoelde organisatie aangewezen mentoren. Bij de beoordeling van de stages wordt getoetst of voldoende bekwaamheid is verworven ten aanzien van:
omgang met jachtvogels;
dragen en zeeg maken van jachtvogels;
verzorging van jachtvogels;
aanleggen van tuig;
doden van prooien en slachten van aasdieren;
aanleren van gewenst gedrag van jachtvogels;
voorkomen en afleren van ongewenst gedrag van jachtvogels;
zoeken en terugvangen van verloren jachtvogels;
beoordelen van de inzetbaarheid van jachtvogels;
toepassen van fretten en
gebruik van fluit, loer en balg.
- Wet
- Jachtregeling
- Citeren als
- Art. 5
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0013181
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl