BWBR0013815
Geldig vanaf 2003-02-20
Artikel XVI
Wijzigingswet Wet luchtvaart (inrichting en gebruik van de luchthaven Schiphol)
1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat zendt uiterlijk drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet, in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten in de praktijk van de krachtens de artikelen 8.4en 8.15 van de Wet luchtvaartvastgestelde besluiten.
2. In het verslag wordt in ieder geval aangegeven op welke wijze het groepsrisico voor mensen op de grond kan worden bepaald en beheerst door middel van instrumenten die zijn gericht op het gebruik van de luchthaven in combinatie met de ruimtelijke ordening in de omgeving van de luchthaven. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer voeren daartoe een ex ante evaluatie ten aanzien van het groepsrisicobeleid uit.
3. Het verslag gaat vergezeld van een milieueffectrapport. Op dit rapport zijn de artikelen 7.20, eerste lid, en 7.26, eerste lid, van de Wet milieubeheervan overeenkomstige toepassing. In afwijking van artikel 7.26, eerste lid, van de Wet milieubeheerwordt de commissie tot uiterlijk vijf weken na ontvangst van het milieueffectrapport in de gelegenheid gesteld om advies uit te brengen.
4. Het millieueffectrapport is gericht op een vergelijking van het beschermingsniveau zoals dat wordt geboden door de krachtens de artikelen 8.4en 8.15 van de Wet luchtvaartvastgestelde besluiten, met het beschermingsniveau zoals dat voor de inwerkingtreding van artikel VIten aanzien van het vijfbanenstelsel is beschreven in de PKB Schiphol en Omgeving. Artikel IXwordt hierbij in acht genomen.
5. Voor zover uit het rapport blijkt dat niet aan de artikelen X tot en met XIIIis voldaan, bevordert Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, dat zulks alsnog geschiedt door wijziging van de in de artikelen 8.4en 8.15 van de Wet luchtvaartbedoelde besluiten.
2. In het verslag wordt in ieder geval aangegeven op welke wijze het groepsrisico voor mensen op de grond kan worden bepaald en beheerst door middel van instrumenten die zijn gericht op het gebruik van de luchthaven in combinatie met de ruimtelijke ordening in de omgeving van de luchthaven. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer voeren daartoe een ex ante evaluatie ten aanzien van het groepsrisicobeleid uit.
3. Het verslag gaat vergezeld van een milieueffectrapport. Op dit rapport zijn de artikelen 7.20, eerste lid, en 7.26, eerste lid, van de Wet milieubeheervan overeenkomstige toepassing. In afwijking van artikel 7.26, eerste lid, van de Wet milieubeheerwordt de commissie tot uiterlijk vijf weken na ontvangst van het milieueffectrapport in de gelegenheid gesteld om advies uit te brengen.
4. Het millieueffectrapport is gericht op een vergelijking van het beschermingsniveau zoals dat wordt geboden door de krachtens de artikelen 8.4en 8.15 van de Wet luchtvaartvastgestelde besluiten, met het beschermingsniveau zoals dat voor de inwerkingtreding van artikel VIten aanzien van het vijfbanenstelsel is beschreven in de PKB Schiphol en Omgeving. Artikel IXwordt hierbij in acht genomen.
5. Voor zover uit het rapport blijkt dat niet aan de artikelen X tot en met XIIIis voldaan, bevordert Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, dat zulks alsnog geschiedt door wijziging van de in de artikelen 8.4en 8.15 van de Wet luchtvaartbedoelde besluiten.