BWBR0013940
Geldig vanaf 29-11-2002
Artikel 8
Uitkeringsreglement WW 2002
1. De werknemer op wie het bepaalde in artikel 31, derde lid van de Werkloosheidswet van toepassing is, maakt op verzoek van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen zijn eventuele aanspraak naar burgerlijk recht geldend.
2. De in het eerste lid bedoelde werknemer dient, op verzoek van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, zo spoedig mogelijk bij de bevoegde gemeente een aanvraag om bijstand ingevolge de Algemene Bijstandswet in.
3. De in het eerste lid bedoelde werknemer machtigt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen desgevraagd tot het in ontvangst nemen van de gelden die hij, over de periode waarover voorschotten zijn verleend, ontvangt van degene jegens wie hij zijn aanspraak naar burgerlijk recht tracht geldend te maken, indien en voorzover deze gelden loon zijn of geacht kunnen worden loon te zijn en tot ten hoogste het bedrag van de verleende voorschotten.
4. De in het eerste lid bedoelde werknemer machtigt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen desgevraagd tot het in ontvangst nemen van de bijstand ingevolge de Algemene Bijstandswet die hij van de in het tweede lid bedoelde gemeente ontvangt, indien en voor zover deze bijstand betrekking heeft op de periode waarover voorschotten zijn verleend en tot ten hoogste het bedrag van de verleende voorschotten.
5. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan aan de betaling van voorschotten als bedoeld in artikel 31, derde lid van de Werkloosheidswet andere voorschriften verbinden.
2. De in het eerste lid bedoelde werknemer dient, op verzoek van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, zo spoedig mogelijk bij de bevoegde gemeente een aanvraag om bijstand ingevolge de Algemene Bijstandswet in.
3. De in het eerste lid bedoelde werknemer machtigt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen desgevraagd tot het in ontvangst nemen van de gelden die hij, over de periode waarover voorschotten zijn verleend, ontvangt van degene jegens wie hij zijn aanspraak naar burgerlijk recht tracht geldend te maken, indien en voorzover deze gelden loon zijn of geacht kunnen worden loon te zijn en tot ten hoogste het bedrag van de verleende voorschotten.
4. De in het eerste lid bedoelde werknemer machtigt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen desgevraagd tot het in ontvangst nemen van de bijstand ingevolge de Algemene Bijstandswet die hij van de in het tweede lid bedoelde gemeente ontvangt, indien en voor zover deze bijstand betrekking heeft op de periode waarover voorschotten zijn verleend en tot ten hoogste het bedrag van de verleende voorschotten.
5. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan aan de betaling van voorschotten als bedoeld in artikel 31, derde lid van de Werkloosheidswet andere voorschriften verbinden.
- Citeren als
- Art. 8
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0013940
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl