BWBR0014850
Geldig vanaf 28-05-2006
Artikel 3
Verordening HPA erosiebestrijding landbouwgronden 2003
1. De ondernemer is verplicht:
a. met betrekking tot elk perceellandbouwgrond, dat hij in gebruik heeft en dat zichtbaar is aangetast door meer dan normale bodemerosie, onverwijld hiervan melding te doen aan de secretaris onder opgave van een zo exact mogelijke plaatsaanduiding met situatieschets;
b. te gedogen dat door de secretaris namens het bestuur aangewezen personen de bij hem in gebruik zijnde landbouwgronden aan een onderzoek onderwerpen naar het voorkomen van, dan wel de gevoeligheid voor bodemerosie;
c. alle door de onder b bedoelde personen gewenste gegevens te verstrekken voor zover deze redelijkerwijs relevant geacht moeten worden voor het onder b bedoelde onderzoek;
d. om aan te geven welke van de in lid 2 genoemde maatregelen het meest geschikt is om de erosie adequaat te bestrijden.
2. De secretaris is, namens het bestuur, bevoegd om in het belang van de bestrijding van bodemerosie de volgende landbouwkundige maatregelen, dan wel combinaties daarvan, voor te schrijven:
a. toepassen van een bodembedekker die in het voorjaar, onmiddellijk na het inzaaien van het hoofdgewas mag worden vervangen door een strodek;
b. het blijvend omzetten van landbouwgrond in grasland en het handhaven van grasland;
c. herinzaai van grasland in het najaar;
d. minimaliseren van grondbewerking;
e. grondbewerking na de oogst;
f. Voorkomen en opheffen van spoorvorming;
g. bodemstructuur verbeterende maatregelen;
h. draineren;
i. verbreken van storende lagen;
j. grondbewerking volgens de hoogtelijnen;
k. beperken van de lengte van percelen gerekend loodrecht van de hoogtelijn hellingafwaarts;
l. strokenbouw;
m. begreppeling.
a. met betrekking tot elk perceellandbouwgrond, dat hij in gebruik heeft en dat zichtbaar is aangetast door meer dan normale bodemerosie, onverwijld hiervan melding te doen aan de secretaris onder opgave van een zo exact mogelijke plaatsaanduiding met situatieschets;
b. te gedogen dat door de secretaris namens het bestuur aangewezen personen de bij hem in gebruik zijnde landbouwgronden aan een onderzoek onderwerpen naar het voorkomen van, dan wel de gevoeligheid voor bodemerosie;
c. alle door de onder b bedoelde personen gewenste gegevens te verstrekken voor zover deze redelijkerwijs relevant geacht moeten worden voor het onder b bedoelde onderzoek;
d. om aan te geven welke van de in lid 2 genoemde maatregelen het meest geschikt is om de erosie adequaat te bestrijden.
2. De secretaris is, namens het bestuur, bevoegd om in het belang van de bestrijding van bodemerosie de volgende landbouwkundige maatregelen, dan wel combinaties daarvan, voor te schrijven:
a. toepassen van een bodembedekker die in het voorjaar, onmiddellijk na het inzaaien van het hoofdgewas mag worden vervangen door een strodek;
b. het blijvend omzetten van landbouwgrond in grasland en het handhaven van grasland;
c. herinzaai van grasland in het najaar;
d. minimaliseren van grondbewerking;
e. grondbewerking na de oogst;
f. Voorkomen en opheffen van spoorvorming;
g. bodemstructuur verbeterende maatregelen;
h. draineren;
i. verbreken van storende lagen;
j. grondbewerking volgens de hoogtelijnen;
k. beperken van de lengte van percelen gerekend loodrecht van de hoogtelijn hellingafwaarts;
l. strokenbouw;
m. begreppeling.
- Citeren als
- Art. 3
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0014850
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl