BWBR0014951
Geldig vanaf 01-07-2003
Artikel 5
Verordening tuchtrechtspraak PPE 2003
1. Het tuchtgerecht heeft een voorzitter, een of meer vice-voorzitter(s), leden en een of meerdere secretaris(s)en.
2. De in het eerste lid bedoelde personen zijn geen lid van het bestuur of van één van de commissies van of werknemer bij het productschap of een lichaam als bedoeld in artikel 110 van de Wet op de bedrijfsorganisatie.
Wanneer de in lid 1 genoemde personen na de functiebenoeming voor het tuchtgerecht lid worden van het bestuur, worden zij door het bestuur ontslagen uit hun functie bij het tuchtgerecht.
3. Tussen de in het eerste lid genoemde personen mag niet bestaan een duurzaam samenwerkingsverband terzake van ondernemingen die onder het productschap ressorteren of een verhouding van werkgever tot werknemer.
4. De voorzitter, de vice-voorzitter(s) en de secretaris(sen) voldoen aan de vereisten voor benoeming zoals vermeld in artikel 1d van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren.
5. De in het eerste lid genoemde personen mogen niet tot in een nadere graad van bloed- of aanverwantschap staan dan in de vierde graad. Indien aanverwantschap eerst mocht ontstaan na benoeming, zal degene die de aanverwantschap veroorzaakt, zijn functie niet kunnen behouden. Aanverwantschap houdt op door ontbinding van het huwelijk.
2. De in het eerste lid bedoelde personen zijn geen lid van het bestuur of van één van de commissies van of werknemer bij het productschap of een lichaam als bedoeld in artikel 110 van de Wet op de bedrijfsorganisatie.
Wanneer de in lid 1 genoemde personen na de functiebenoeming voor het tuchtgerecht lid worden van het bestuur, worden zij door het bestuur ontslagen uit hun functie bij het tuchtgerecht.
3. Tussen de in het eerste lid genoemde personen mag niet bestaan een duurzaam samenwerkingsverband terzake van ondernemingen die onder het productschap ressorteren of een verhouding van werkgever tot werknemer.
4. De voorzitter, de vice-voorzitter(s) en de secretaris(sen) voldoen aan de vereisten voor benoeming zoals vermeld in artikel 1d van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren.
5. De in het eerste lid genoemde personen mogen niet tot in een nadere graad van bloed- of aanverwantschap staan dan in de vierde graad. Indien aanverwantschap eerst mocht ontstaan na benoeming, zal degene die de aanverwantschap veroorzaakt, zijn functie niet kunnen behouden. Aanverwantschap houdt op door ontbinding van het huwelijk.
- Citeren als
- Art. 5
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0014951
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl