BWBR0015007
Geldig vanaf 2019-06-16
Artikel 26i
Spoorwegwet
1. Het is verboden een vernieuwing of verbetering van de hoofdspoorweginfrastructuur in dienst te stellen zonder dat Onze Minister een vergunning voor indienststelling als bedoeld in artikel 26h, tweede lid, heeft verleend, tenzij Onze Minister heeft geoordeeld dat voor de vernieuwing of verbetering geen vergunning voor indienststelling vereist is.
2. De beoordeling, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats:
a. op basis van een bij Onze Minister ingediend dossier waarin het project tot verbetering of vernieuwing wordt beschreven, en
b. met inachtneming van de krachtens artikel 26j, onderdeel d, gestelde regels.
3. De termijnen, bedoeld in artikel 26dd, tweede tot en met vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op de beslissing, bedoeld in het eerste lid.
2. De beoordeling, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats:
a. op basis van een bij Onze Minister ingediend dossier waarin het project tot verbetering of vernieuwing wordt beschreven, en
b. met inachtneming van de krachtens artikel 26j, onderdeel d, gestelde regels.
3. De termijnen, bedoeld in artikel 26dd, tweede tot en met vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op de beslissing, bedoeld in het eerste lid.